Home

De vogelcollectie van Naturalis Biodiversity Center

In januari 2010 zijn de grootste Nederlandse collecties van planten, opgezette dieren, mineralen en gesteenten samengevoegd in het Nederlands Centrum voor Biodiversiteit Naturalis. Alles bij elkaar beheert dit onderzoeksinstituut in Leiden een archief van de biologische en geologische diversiteit op aarde, met een omvang van zo'n 37 miljoen voorwerpen. Met ruim 3 miljoen exemplaren zijn ook vogels goed vertegenwoordigd. Het leeuwendeel van de 9000 soorten die op aarde voorkomen is in de collecties terug te vinden. Naast 'gewone vogels' zijn er ook bijzondere schatten: honderden eerstbeschreven exemplaren van een soort (holotypen), en zeldzame of inmiddels van de aardbodem verdwenen soorten, waaronder de rond 1680 uitgestorven dodo.

Papegaaien NCB Naturalis

Papegaaien in de collectietoren van NCB Naturalis.

Geschiedenis
NCB Naturalis in 1820 opgericht als 's Rijks Museum van Natuurlijke Historie. Meteen vanaf het begin was het museum vooral actief in Zuidoost-Azië, met name in het voormalige Nederlandsch-Indië. Vandaar dat een groot deel van de collecties uit dat gebied afkomstig is. Nog altijd is de fauna-ontwikkeling in Zuidoost-Azië, met als zwaartepunt Indonesië, een belangrijk onderzoeksthema van het museum. Ook elders in de wereld werd verzameld. Het museum bezit onder andere een zeer belangrijke collectie dieren uit Japan, de Von Siebold collectie. Ook vogels maken daar deel van uit.

Vogeldirecteuren
Vogels hebben altijd de bijzondere aandacht gehad van de directeuren van het museum. Al voor hij in 1820 eerste directeur werd van het 's Rijks Museum van Natuurlijke Historie, was Coenraad Jacob Temminck (1778-1858) een fervent verzamelaar van vogels en een vooraanstaand ornitholoog. Zijn prive-verzameling vormde een van de begincollecties van het museum. Onder Temmincks leiding breidde de vogelcollectie gestaag uit. Hij wist ook meerdere vogelsoorten als eerste te beschrijven, en kreeg als eerbetoon veel soorten naar zich vernoemd, zoals Temmincks strandloper (Calidris temminckii).

Hermann Schlegel

Hermann Schlegel.

Toen Temminck in 1858 overleed, kwam er weer een 'vogeldirecteur' aan het roer van het museum te staan: Hermann Schlegel die eveneens een groot vogelkenner was, maar zich daarnaast ook met andere diergroepen bezig hield, waaronder reptielen en amfibieën. Schlegel (1804-1884) was van mening dat het verzamelen van een enkel exemplaar niet voldoende was om een soort te leren kennen. Het was hem opgevallen dat er binnen een soort veel variatie in uiterlijk was. Exemplaren van dezelfde soort verschilden, al naar gelang de plek waar ze leefden. Schlegel had dus een geografische soortopvatting. Om de kenmerken van de soort in beeld te krijgen, moesten er volgens hem 'geografische reeksen' worden verzameld, exemplaren van uiteenlopende plekken. Schlegel kende ook veel belang toe aan het gedrag van vogels en stond erop dat alle exemplaren in een natuurlijke houding opgezet dienden te worden. De dieren konden zo goed bestudeerd worden maar erg praktisch was het niet. Al snel ontstond er ruimtegebrek. Zo opgezet namen de vogels namelijk veel plaats in.

Prepareren van een vogel

Preparateur Hein van Grouw bezig met het balgen van een sperwer. Foto: Naturalis.

Wat betreft het prepareren en conserveren bracht Schlegels opvolger Fredericus Anna Jentink (1844-1913) verbeteringen aan in de vogelcollectie Jentink ging over tot de moderne methode van het balgen van vogels. De exemplaren werden zo geprepareerd dat ze zo weinig mogelijk plaats innamen maar toch de belangrijkste kenmerken lieten zien die nodig zijn voor het onderzoek. Ze werden gestrekt opgezet, met de poten en staart naar achteren, de kop naar voren en de vleugels stijf gevouwen langs het lichaam. Zo pasten er veel meer in een lade of op een plank.

Merels. M. A. Koekkoek
Klik op het plusje voor een grotere foto

Merels, getekend door MA Koekkoek voor het overzichtswerk De vogels van Nederland.

In 1913 werd Jentink opgevolgd door Eduard Daniël van Oort, wederom een man die gespecialiseerd was in de studie van vogels. Samen met de beroemde illustrator Marinus Adrianus Koekkoek voltooide van Oort het driedelige overzichtswerk Ornithologia Neerlandica, over de vogels van Nederland. In dit standaardwerk bracht Van Oort de laatste stand van kennis over de Nederlandse stand- en trekvogels samen. Onder leiding van Van Oort produceerde Koekkoek kleurplaten van alle 407 behandelde soorten. Ze blinken uit in natuurlijke weergave en in levendigheid. Koekkoek werd speciaal voor dit doel in 1918 als wetenschappelijke illustrator bij het museum aangesteld en is vrijwel zijn hele carrière met deze klus bezig geweest. Het portretteren van vogels was dan ook precisiewerk: de afbeeldingen moesten zo nauwkeurig zijn dat een wetenschapper het dier vanaf de platen kon opmeten en bestuderen.

Nederlandse vogels
Als Nederlands Centrum voor Biodiversiteit is het vanzelfsprekend dat Nederlandse vogels niet in de collecties ontbreken. Regelmatig worden er exemplaren toegevoegd, bijvoorbeeld als iemand een buizerd heeft gevonden die langs de snelweg door een auto is aangereden. De meeste vogels in de verzameling zijn echter al wat ouder. Het museum heeft het grootste deel van zijn opgezette Nederlandse (trek)vogels te danken aan de negentiende-eeuwse ornitholoog Jan Pieter van Wickevoort Crommelin (1830-1891). Hoewel blind, was deze onderzoeker destijds de grootste kenner van de inheemse avifauna. Hij herkende op de tast welke soort hij in handen had en kon bijvoorbeeld het onderscheid voelen tussen een slechtvalk en een boomvalk.

Slechtvalk. Foto; Herman Berkhoudt
Klik op het plusje voor een grotere foto

Slechtvalk. Foto: Herman Berkhoudt.

Van Wickevoort Crommelin was bevriend met Coenraad Jacob Temminck, de directeur van 's Rijks Museum van Natuurlijke Historie. Hij maakte handig gebruik van deze relatie door zijn vogels door preparateurs van het museum te laten opzetten. Daarna belandden ze in de prive-verzameling van Van Wickevoort Crommelin. Toen hij overleed, legateerde hij zijn hele collectie aan het museum. Van Wickevoort Crommelin verzamelde op een manier die nu niet meer denkbaar is. De meeste van zijn vogels zijn namelijk geschoten door jagers. Destijds stuitte dat niet op ethische bezwaren. Vogels waren niet beschermd, sterker nog: het was nauwelijk bekend wat er aan vogelleven in ons land voorkwam. Goede verrekijkers waren er nog niet en er werden nog geen systematische waarnemingen gedaan, zoals nu wel gebeurt door de vele duizenden actieve vogelaars die hun vogelobservaties doorgeven aan Vogelonderzoek Nederland en aan websites als waarneming.nl. Om te weten te komen wat er aan vogels in ons land leefde, was het nodig om ze te inventariseren. Afschieten was een voor de hand liggende methode om exermplaren in handen te krijgen. Toen ze daarna opgezet en wel in Van Wickevoort Crommelins verzameling terechtkwamen, kon hij ze in alle rust bestuderen en de kennis over de Nederlandse vogels geleidelijk aan opbouwen.