Home

Zoeken

Zoek in 4603 artikelen


    Opvetten en eten onderweg

    Trekvogels vliegen over grote afstanden, vaak duizenden kilometers. Vliegen kost veel energie. Die energie halen de vogels uit voedsel. Veel soorten zangvogels en steltlopers eten zich voor de trektocht letterlijk dik om voldoende energie te hebben voor de reis. Het lijf van een trekvogel ondergaat soms ongelofelijke veranderingen voor en tijdens de trek. Wat de vogels doen, kun je vergelijken met wat topatleten doen, die op sportdieet gaan.

    Vet is goed!
    Het is niet te zien door het verendek, maar veel trekvogels eten zo veel voor hun trektocht dat hun gewicht verdubbelt. Het opvetten wordt door hormonen aangestuurd. Vet is de beste manier om energie in het lichaam op te slaan. Het is compact (dus gemakkelijk mee te dragen), geeft veel energie (om de vleugels te bewegen) en weinig afvalstoffen (waardoor de spieren minder snel verzuren).

    Schematische voorstelling van de vetophoping bij een boerenzwaluw in de periode voorafgaand aan de trek. Getekend naar Busse. Tekening: Erik-Jan Bosch © Naturalis.

    Het is mensen al vroeg opgevallen dat vogels wegtrekken als ze heel dik zijn. De boerenzwaluw ruit in Afrika en vet op voor hij de Sahara over gaat.

    Boerenzwaluw. Foto: Herman Berkhoudt
    Klik op het plusje voor een grotere foto

    Bij aankomst in Nederland heeft een boerenzwaluw zijn vetvoorraad opgebrand. Foto: Herman Berkhoudt.

    De rosse grutto komt broodmager aan in de Waddenzee, en vreet zich in drie weken vol tot hij twee keer zo zwaar is. De rotgans vet zich op in het waddengebied. De kanoet reduceert zijn maag tijdens de trek: in de periode van het opvetten is de maag juist extra groot, om snel veel te kunnen eten. Eenmaal opgevet, hoeft de maag van de kanoet niet meer te werken. Het vet dat is opgeslagen in zijn lijf wordt via het bloed direct naar de spieren gevoerd om daar energie te leveren. De mate van opvetten bij trekvogels is een goede graadmeter voor het succes tijdens de trek en de broedperiode erna. Een vogel die zich onvoldoende opvet, zal tijdens zijn reis brandstof tekort komen en moeten landen om te eten. Een of meer van die tussenstops is nadelig. De vogel loopt het gevaar gepakt te worden door een roofdier en verspeelt kostbare tijd. Andere, beter opgevette, soortgenoten vliegen immers door en zullen de broedgebieden eerder bereiken. Ze kunnen eerder aan de slag met het maken van hun nest en hun jongen kruipen uit het ei op het moment dat er een overdaad aan voedsel is. Nakomers beginnen eigenlijk te laat aan hun nest. Als hun jongen uit het ei kruipen kan het zijn dat er niet meer genoeg te eten is.

    Brandganzen nemen de groene golf
    Brandganzen vliegen in het voorjaar door Noord-Europa: van Engeland en Nederland naar de Russische toendra. Onderweg stoppen ze steeds op de plek waar dan net de eerste vet- en eiwitrijke frisgroene grassprietjes opkomen. Zo kunnen ze hun energievoorraad aanvullen en genoeg brandstof innnemen voor de volgende etappe. Aan het eind van hun reis is het eetfeest niet voorbij. Want ze arriveren op de Russische toendra als daar net de eerste sappige grassprietjes ontspruiten.

    Brandgans. Foto: Herman Berkhoudt
    Klik op het plusje voor een grotere foto

    Grazende brandgans. Foto: Herman Berkhoudt.

    Zo profiteren brandganzen maximaal van het voorjaar. Bij ganzen is een direct verband waargenomen tussen het opvetten en de legselgrootte. Hoe dikker de gans, des te meer eieren komen er. Succes bij het aanleggen van een vetvooraad voorafgaand aan de trek beïnvloedt dus direct het broedsucces en indirect het voortbestaan van de soort.

    Wegrestaurant bessenstruik
    Bessen zijn ideaal trekvogelvoer. Lijsters en spreeuwen staan bekend als echte bessenplunderaars. De energie uit de bessen slaan ze op in de vorm van vet.

    Zanglijster. Foto: Herman Berkhoudt
    Klik op het plusje voor een grotere foto

    Zanglijster in een lijsterbes. Foto: Herman Berkhoudt.

    Ze kunnen in de trektijd per dag hun lichaamsgewicht aan bessen eten. Daarnaast eten ze ook wormen en slakken, zolang de grond niet bevroren is. Insecteneters zoals zwartkop, grasmus en gekraagde roodstaart eten alleen bessen vlak voor en tijdens de trek.

    Kramsvogel. Foto: Herman Berkhoudt
    Klik op het plusje voor een grotere foto

    Kramsvogel tussen de meidoornbessen. Foto: Herman Berkhoudt.

    Omgekeerd zijn trekvogels ook van voordeel voor besdragende bomen en struiken. Ze verspreiden hun zaden. Een vogel verteert een bes immers niet meteen waar hij hem opeet, maar poept de niet-verteerbare zaden pas later uit, als hij op een andere plek is aangekomen. Om de aandacht van vogels te trekken, zijn de bessen precies goed gekleurd: vaak zijn ze rood, de perfecte reclamekleur voor overvliegende vogels. Vogelogen zijn extra gevoelig voor UV-licht dat de bessen weerkaatsen als er zonlicht op valt.  Het doet de bessen als het ware oplichten.

    Ook de positie van de bessen is precies goed. Ze zitten aan de uiteinden van de takken, dus vallen ze vanuit de lucht goed op, zeker in de winter als de struik geen bladeren draagt. Ook vorm en grootte zijn precies goed. Veel bessen zijn klein, waardoor ze in een keer zijn door te slikken, en ze zitten meestal in trossen bij elkaar, waardoor vogels niet actief hoeven te zoeken. Trekvogels kunnen zich dus snel voleten en verspillen geen kostbare energie.