Home

Vliegtechnieken van trekvogels

Elke trekvogel vliegt op zijn manier: met vleugelslagen of glijdend, in een rechte of een golvende beweging, in een groep of alleen. De vliegwijze is kenmerkend voor de soort, en hangt samen met de vorm en de grootte van de vogel en met de bouw van zijn vleugels. Sommige vogels kunnen overstappen van de ene op de andere vliegtechniek, bijvoorbeeld als de weersomstandigheden dat noodzakelijk maken. Om grote afstanden te vliegen, moeten de vleugels in topvorm zijn. Daarom ruien de vogels vlak voor de trek. Ze kunnen dan met splinternieuwe veren (die beter presteren) op reis.

Puntige vleugels zijn de snelste
Actief vliegende vogels slaan tijdens het vliegen continu met de vleugels (active of powered flight). Ze houden een constante snelheid en vliegen in een rechte lijn. Veel middelgrote trekvogels, zoals de grutto, zijn actieve vliegers. Hun vleugels zijn lang en puntig en hebben een brede basis. Met zulke vleugels kan de vogel een grote voorwaartse kracht ontwikkelen en dus een hoge vliegsnelheid halen. Een ander voordeel is dat dergelijke vleugels weinig weerstand van de lucht ondervinden. Ze zijn met vrij weinig krachtsinspanning op en neer te slaan en vragen dus relatief weinig energie. Vogels met dergelijke vleugels kunnen zonder snel moe te worden binnen korte tijd lange afstanden afleggen.

Klik op het plusje voor een grotere foto

lieglijn van een actieve vlieger. Tekening: Erik-Jan Bosch © Naturalis.

Grutto. Foto: Herman Berkhoudt
Klik op het plusje voor een grotere foto

De grutto is een actieve vlieger met puntige vleugels. Foto: Herman Berkhoudt.

Voorbeelden van actieve vliegers zijn sterns, veel steltlopers, veel eenden, rotganzen, valken, zwaluwen en koekoeken. De verste trekkers hebben bijna allemaal puntige vleugels. Verwante soorten met kortere brede vleugels gaan minder ver.

 

Groepsvoordeel
Om energie te sparen, vliegen grotere, actief vliegende trekvogels vaak in formatie (formation flight). Voorbeelden zijn ganzen en zwanen, kraanvogels, wulpen en lepelaars.

Klik op het plusje voor een grotere foto

Vogels in V-formatie. Tekening: Erik-Jan Bosch © Naturalis.

Knobbelzwanen. Foto Herman Berkhoudt
Klik op het plusje voor een grotere foto

Knobbelzwanen in formatie. Foto: Herman Berkhoudt.

Elke vogel in de formatie profiteert van de luchtwervelingen die zijn voorganger opwekt. Deze wervelingen - die alleen met grote vleugels kunnen worden opgewekt - helpen bij de voortstuwing. Een vogel surft als het ware een stukje op de werveling van zijn voorganger mee. En door in zijn luwte te blijven, ondervindt hij ook minder weerstand van de lucht. Door in een vaste positie ten opzichte van elkaar te vliegen, maken de vogels in de formatie optimaal gebruik van deze effecten en verbruiken ze minder energie. Behalve de vogel aan kop: die heeft het extra zwaar en moet worden afgelost voordat hij moe wordt. Elke vogel komt een keer aan de beurt om het peloton aan te voeren. De koppositie wordt over alle vogels in de groep verdeeld. Het merendeel van de tijd vliegen de vogels echter in elkaars luwte, dus netto besparen ze tijdens hun vlucht veel energie. Door de vaste posities die de vogels ten opzichte van elkaar en van de koploper innemen, ontstaan de kenmerkende V- of U-vluchten.

 

Golvende vliegers besparen energie
Kleinere zangvogels zoals vinken, piepers en lijsters hebben een golvende vlucht om energie te sparen (bounding of undulating flight, verschillende varianten). Hun vleugels zijn puntig of afgerond.

Klik op het plusje voor een grotere foto

Golvende vlucht. Tekening: Erik-Jan Bosch © Naturalis.

De vogel flapt met zijn vleugels in het dal van de golf om snelheid te maken. Dan schiet hij met half ingetrokken vleugels omhoog. Omdat de vleugels even geen arbeid hoeven te verrichten, spaart de vogel gedurende enkele seconden energie. Al die kleine beetjes tikken op een lange reis behoorlijk aan. Hij kan bovendien steeds even op krachten komen en ook daardoor zijn reis langer volhouden.

Keep. Foto: Herman Berkhoudt
Klik op het plusje voor een grotere foto

De keep is een golvende vlieger. Foto: Herman Berkhoudt

 

Gratis opstijgen tot grote hoogte
Grote vogels met brede vleugels gebruiken thermiek, dat is door zonnewarmte opstijgende lucht. Ze hebben grote brede vleugels voor meer draagvlak.

 

Klik op het plusje voor een grotere foto

Thermiekvliegers. Tekening: Erik-Jan Bosch © Naturalis.

Lucht die door de zon wordt opgewarmd, stijgt op. Op bepaalde plekken boven het land ontstaan zo opstijgende luchtkolommen (thermiekbellen). Vogels die gebruikmaken van thermiek zoeken zo'n warmeluchtkolom op en laten zich door de opstijgende lucht opheffen. Al cirkelend klimmen ze omhoog. Bovenin de kolom aangekomen, zweven ze in de trekrichting weg, zonder met hun vleugels te slaan (thermal soaring flight). Tijdens hun langzame daling leggen ze een grote afstand af, precies genoeg om een volgende luchtkolom te vinden waarin ze weer omhoog kunnen cirkelen. De trekroute van thermiekvliegers bestaat dus eigenlijk uit een aaneengesloten serie heteluchtkolommen.

Ooievaar. Foto: iStock
Klik op het plusje voor een grotere foto

In Nederland zijn ooievaars en grote roofvogels thermiekvliegers. Foto: iStock.

Zweven op thermiek is een goedkope manier van reizen: de vogels hoeven slechts te zweven en nauwelijks met hun vleugels te slaan. Maar zweven op thermiek kan alleen overdag als de zon schijnt en is niet mgelijk boven zee, omdat daar geen opstijgende warme lucht voorkomt.

 

Zeilen op de zeewind
Boven zee staat  vrijwel altijd wind. Veel zeevogels maken gebruik van de energie van de wind om vooruit te komen. Glijdend op de wind (gliding flight, dynamic soaring flight) hoeven ze maar af en toe met hun vleugels te slaan. Deze vliegtechniek spaart energie en is extreem lang vol te houden. Zolang er wind staat kunnen de vogels blijven zweven. Sommige zeevogels, zoals jan van genten, doen dat vaak maanden achtereen, zonder aan land te komen. Naast jan van genten benutten ook meeuwen en stormvogels de techniek van zeilen op de wind.

 

Klik op het plusje voor een grotere foto

Zeilen op de wind. Tekening: Erik-Jan Bosch © Naturalis.

Kuhl's pijlstormvogel. Foto: Herman Berkhoudt
Klik op het plusje voor een grotere foto

Een Kuhl's pijlstormvogel zeilt op de wind boven de oceaan. Foto: Herman Berkhoudt.

De vleugels van deze vogels zijn heel stevig gebouwd. Ze moeten de klappen van de wind op kunnen vangen en ook bij storm hun werk blijven doen. Vlak boven de golven is de windkracht het grootst. De wind krijgt daar een versnelling en als een golf rijst wordt de windklracht omhoog gericht. Zeevogels vliegen niet met de wind mee, maar juist tegen de wind in. Ze zoeken de top van een golf uit om omhoog te stijgen en maken daarna een langzaam dalende glijvlucht naar de volgende golf die hen opnieuw omhoog stuwt.

 

Vliegsnelheid en -hoogte
De meeste soorten trekvogels halen tijdens de trek een snelheid van 30 tot 40 kilometer per uur, steltlopers en sommige eenden bereiken snelheden tot 80 kilometer per uur. De snelste trekvogels kunnen in drie dagen 5000 kilometer afleggen.

Smienten in vlucht. Foto: Herman Berkhoudt
Klik op het plusje voor een grotere foto

Smienten hoog in de lucht. Foto: Herman Berkhoudt.

De vlieghoogte hangt erg van de wind af. In hogere luchtlagen is de windsterkte in het algemeen groter dan dichter bij de grond. Als vogels tegenwind hebben, gaan ze lager vlieger, omdat de wind daar zwakker is. Vaak vliegen ze dan op minder dan 100 meter hoogte. Hebben ze wind mee, dan kunnen vogels een grotere hoogte kiezen. De wind waait daar harder, dus met de wind in de rug gaan ze sneller vooruit. Dat is vooral van belang voor kleinere vogels, die op die manier sneller hun bestemming kunnen bereiken. Zangertjes en steltlopers kunnen tot op 4000 meter hoogte vliegen. Een bijkomend voordeel is dat ze op die hoogte minder te vrezen hebben van roofvogels. Grote zangvogels, eenden en ganzen vliegen lager, tot op 1500 meter hoogte. Thermiekvliegers vliegen tot waar de thermiek gaat, circa 2000 meter.

Dag- en nachttrekkers
Trekvogels vermijden droogte  en hitte door in de nacht te trekken. Overdag kunnen ze zich verschuilen in de bosjes en voedsel zoeken. De wind is meestal ook rustiger in de nacht. Daardoor bespaart trekken in de nacht energie. Wegens het ontbreken van jagende dagroofvogels is de nacht ook veiliger. Om deze redenen vliegen veel trekvogels 's nachts. Thermiekvliegers trekken overdag, omdat alleen dan thermiek is. In de nacht rusten ze uit in bomen of op de grond.