Home

Malende kiezen

Maalgereedschap

Er komt een flink maalgebit bij kijken om taaie plantenvezels klein te krijgen. Pas dan komen de voedingsstoffen vrij. Gnoe, zebra en Thomsongazelle hebben allemaal een net iets andere bek en gebit. Daarmee verraden ze hun verschillen in dieet, zoals verschil in de 'taaiheid' van het gras.

Slijtage

De kiezen van planteneters hebben het zwaar te verduren. Tijdens het malen schuiven ze dwars over elkaar heen. Om slijtage tegen te gaan hebben de kiezen harde richels. Desondanks slijten ze toch en worden de kiezen steeds kleiner. Is het gebit door ouderdom helemaal versleten dan krijgen ze te weinig voedingsstoffen binnen en gaan dood.

Gnoe

De kop van een gnoe is gebouwd voor het eten van kort gras. Zijn brede mond en lippen zijn zeer geschikt om per hap veel gras naar binnen te werken.

De gnoe heeft geen voortanden in zijn bovenkaak. In de onderkaak staan wel hoek- en snijtanden, die vanwege dezelfde functie, het afsnijden van gras, dezelfde vorm hebben. Er zit een brede spleet ofwel diasteem tussen de voortanden en de kiezen.

Zebra

In tegenstelling tot de gnoe heeft de zebra wťl tanden in zijn bovenkaak. Met zijn bijtelvormige snijtanden kan de zebra lang gras afbijten. Een mannelijke zebra heeft hoektanden, terwijl deze bij het vrouwtje†meestal afwezig zijn.

Thomsongazelle

Nadat eerst de zebra en daarna de gnoe de langere en kortere grassen hebben weggemaaid, is het de beurt aan de Thomsongazelle. Met zijn kleine snuit zoekt hij de kortste grassen op. Alleen in zijn ondergebit heeft de Thomsongazelle tanden. Tussen tanden en kiezen zit een spleet ofwel diasteem.

Door: Manon Laterveer - de Beer (2008)