Home

Dubois gaat op zoek naar de missing link in Nederlands-Indië

In 1887 vertrok Eugène Dubois samen met vrouw en kind naar Sumatra. Hij had als officier van gezondheid dienst genomen in het Koninklijk Nederlands Indisch Leger. Niet dat hij graag als arts wilde werken, integendeel, maar bij het leger gaan was voor hem de goedkoopste manier om in Nederlands Indië te komen. Nederlands Indië werd in die tijd door de meerderheid van wetenschappers gezien als de meest logische plek om naar menselijke fossielen te zoeken. Men nam aan dat de evolutie van de mens zich in dat deel van de wereld had afgespeeld. Dubois hoopte er de missing link tussen aap en mens te vinden en eeuwige roem te vergaren als eerste wetenschapper die dit lukte.

 

Waarom Indië?

Dubois wetenschappelijke held Professor Ernst Haeckel had Azië aangewezen als bakermat van de mensheid. Daar had een nu verdronken continent gelegen, Lemuria genaamd, waar volgens Haeckel in een ver verleden mensapen evolueerden tot aapmensen. In Azië moest dus de overgangsvorm tussen aap en mens hebben rondgelopen. Dubois was geobsedeerd om deze missing link, die door Haeckel Pithecanthropus alalus (spraakloze aapmens) werd genoemd, op te graven. Er was nog een andere reden waarom Dubois naar Indië wilde. De harenpels van de mens is verdwenen; hij ging er daarom vanuit dat onze voorouders op een warme plek geleefd hadden, in de tropen dus. Ook dacht men in die tijd dat niet de chimpansee maar de gibbon de mensaap was die het dichtst bij de mens stond. Waar gibbons leven zou je dus een grotere kan maken resten van de missing link tussen aap en mens te vinden. Het was dus logisch om naar Indië te gaan en niet naar Afrika, waar tegenwoordig de oudste voorlopers van de mens worden gevonden. Dubois vertrouwde op Haeckel en koos op basis van argumenten voor Nederlands Indië, een van de weinige plekken in het Verre Oosten die bereikbaar voor hem waren. Het was immers een Nederlandse kolonie.

Het eiland Java met de rivier de Solo.

 

Naar Sumatra

Het eerste eiland waar Dubois zijn geluk beproefde was Sumatra. Aan de noordkant van dit eiland komen kalkgebergten voor met veel grotten. Omdat in Europa steeds meer vondsten uit grotten tevoorschijn kwamen dacht Dubois ook in Sumatraanse grotten goede kansen te hebben om fossielen van de mens te vinden. De omstandigheden in grotten zijn veel beter voor fossilisatie dan vindplaatsen in het open veld. Grotten zijn als het ware tijdscapsules waarin botten lange tijd ongestoord bewaard kunnen blijven. De omstandigheden in grotten veranderen veel minder snel dan in de open lucht. Bovendien zorgt het kalkrijke, niet zure milieu ervoor dat botten goed bewaard blijven (die bestaan immers ook uit kalk). Ten slotte hebben sommige dieren, zoals stekelvarkens, de gewoonte om botten naar grotten te slepen, waardoor zich daar in de loop van de tijd grote hoeveelheden botten kunnen ophopen. En natuurlijk is het ook niet uitgesloten dat de vroege mens zelf ook in de grotten heeft geleefd.

Op Sumatra vond Eugène Dubois veel fossielen, maar daaronder waren geen menselijke resten. Ook zagen de fossielen er te recent uit. Hij wist dat hij de missing link tussen aap en mens daar niet zou vinden. Aan het eind van het jaar 1889 besloot Dubois om zijn onderzoek van Sumatra naar Java te verplaatsen. De aanleiding was dat er bij het plaatsje Wadjak een schedel was gevonden. Dubois was verrukt van deze vondst, want hierdoor wist hij zeker dat er menselijke fossielen op Java te vinden waren. Ook al zag  deze schedel er te jong uit om een tussenvorm tussen aap en mens te zijn, toch had Dubois goede hoop dat hij op Java zou vinden wat hij zocht.

Klik op het plusje voor een grotere foto

Dubois eigen foto van de opgravingplaats Trinil aan de oever van de rivier de Solo.
 
Naar Java

Aangekomen op Java, vestigde Dubois zich met zijn familie in het kleine stadje Toeloeng Agoeng. Op Sumatra had Dubois enkel in grotten naar fossielen gezocht, op Java besloot hij in vulkanisch actief gebied te graven. Hij hoopte dat in de vulkanische afzettingen fossielen te vinden waren. Dit leverde echter niets op en Dubois besloot om de oever van een rivier systematisch uit te graven, iets wat nog nooit iemand had geprobeerd. Dubois wees eigenhandig de plaats aan waar het graven moest beginnen. Het werd een plek waar boeren al veel fossielen hadden gevonden langs de rivier de Solo, vlakbij het plaatsje Trinil op midden-Java. De vindplaats ligt aan een binnenbocht van de door het landschap meanderende Solo. Tijdens het meanderen snijdt deze rivier oude vulkanische tuflagen aan waarin  fossiele resten van allerlei dieren bewaard zijn, die meer dan een miljoen jaar geleden in dit gebied leefden.

Klik op het plusje voor een grotere foto

Op deze door Dubois getekende kaart is rechts in het midden de vindplaats Trinil aangegeven.

 

De vindplaats Trinil

In de loop van de jaren vond Dubois bij Trinil een enorme hoeveelheid fossielen. Ze werden niet door hem persoonlijk opgegraven. Zoals gewoon in die tijd, liet Dubois dwangarbeiders het werk doen. De opzichters van deze arbeiders waren de Nederlandse sergeanten Kriele en De Winter van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL).

Klik op het plusje voor een grotere foto

Sergeant Kriele

De arbeiders waren gevangenen die gedwongen aan het project meewerkten. Een ander deel bestond uit landarbeiders die hun belasting niet konden betalen en deze verplichting afkochten door werk te verrichten voor de Nederlandse koloniale machthebbers. Het graven in de rivieroever was zeer zwaar werk. De zon brandde op de hoofden van de arbeiders en in de natte blubber lagen ziektes op de loer. De oever moest systematisch worden uitgegraven en alles wat gevonden werd, moest nauwkeurig worden geregistreerd. Na enkele jaren was de oever voor een groot deel afgegraven. Het graven kon niet het hele jaar door plaatsvinden. In de moessontijd steeg het peil van de Solorivier zo hoog dat de vindplaats voor een deel overspoeld raakte en het werk moest worden stilgelegd.

Klik op het plusje voor een grotere foto

Eugène Dubois sorteerde al zijn gevonden fossielen op de veranda van zijn huis. Al deze fossielen wist hij te determineren. 

De verandamethode van Dubois

Dubois liet alle gevonden fossielen naar zijn huis brengen, waar hij ze op de veranda uitstalde en ze één voor één bekeek. De veranda kwam helemaal vol te liggen. Uiteindelijk ontstond daar een minimuseum met meer dan 40.000 fossielen. Voor hij begon, had Dubois al een een uitstekende kennis van de anatomie van het skelet van gewervelde dieren. Op basis van de kennis die hij in zijn jeugd en tijdens zijn studie had opgedaan wist hij veel nieuw binnengebrachte fossielen direct te determineren. In een oogopslag zag hij of het een deel van een schedel was, een onderdeel van een linker of rechter achter of voorpoot van een rund, olifantachtige, nijlpaard, roofdier, etc.

Door alles op de veranda uit te stallen en niet meteen in kisten weg te stoppen, bleef Dubois zich in de herkenning van botten trainen en nam zijn kennis van de fossiele zoogdieren enorm toe. Op zijn veranda kon hij gemakkelijk stukken met elkaar vergelijken en zien of fragmenten bij elkaar pasten. De brokstukken vulden elkaar aan: wat op het ene ontbrak was op het andere wel te zien en omgekeerd. Door alle brokstukken te combineren bouwde Dubois in zijn hoofd een compleet beeld op van het fossiele dier. Hoe klein of slecht bewaard een brokstukje ook was: op een gegeven moment kon Dubois in een flits bepalen welk skeletonderdeel het betrof en welke diersoort. Met zijn kennersblik zou hij eventuele menselijke resten tussen de vele fossielen ogenblikkelijk herkennen. Dubois 'verandamethode' bewees nog om nog een andere reden slimme diensten: mocht hij ooit resten van de Pithecanthropus vinden, dan had hij op zijn veranda de hele leefomgeving van de overgangsvorm tussen aap en mens bij elkaar. En daarmee kon hij bepalen of de missing link in een bosachtige omgeving had geleefd, zich langs de oever van een rivier had opgehouden of zich thuisvoelde op een open vlakte.