Home

Dubois vindt een kies, een schedelkapje en een dijbeen

De opgraving die Eugène Dubois in 1890 min of meer op goed geluk was begonnen langs de linkeroever van de Solorivier bij Trinil bracht een overstelpende hoeveelheid fossielen van dieren aan het licht die ongeveer een miljoen jaar geleden Java bevolkten.

Vondst van de kies

Op een goede dag in september 1891 stootten Dubois' werkers in de opgravingsput op een klein glanzend voorwerp met twee puntige wortels. Het was een kies die veel deed denken aan de kies van een mens maar die door Dubois werd gedetermineerd als een derde rechter bovenkaaksmolaar van een uitgestorven chimpansee (Anthropopithecus = mensaap). Op zich een vreemde conclusie aangezien chimpansees alleen in Afrika leven en fossiel nog niet in Azië waren aangetoond.

Klik op het plusje voor een grotere foto
De door medewerkers van Dubois opgegraven kies.

 

Vondst van het schedelkapje

De opgravingen gingen door. Hoewel een spectaculaire vondst - de kies toonde aan dat er in Trinil ook fossielen van primaten te vinden waren - ging men over tot de orde van de dag. En dat betekende rustig verder graven in de hoop meer primatenresten te vinden. Het geduld en de vasthoudenheid van Dubois en zijn team werden snel beloond. In oktober 1891 troffen de opgravers een schedelkapje aan, waarvan de herseninhoud kleiner was dan van de huidige mens, maar groter dan van de mensapen. Het bijzondere was dat dit fossiel in dezelfde laag en dicht in de buurt van de kies werd aangetroffen. Ook deze vondst schreef Dubois toe aan Anthropopithecus. Dubois was ervan overtuigd met de kies en het schedelkapje een hoogontwikkelde mensaap gevonden te hebben. In zijn voortgangsrapport maakte hij melding van Anthropopithecus javanensis, de mensaap van Java. 

Dubois had moeite met de interpretatie van het schedelkapje. Het kapje kon niet van een gewone mensaap afkomstig zijn, want het was groter en verschilde duidelijk van de schedel van bijvoorbeeld de orang-oetan of de gorilla. Dubois kon het fossiel niet goed bestuderen want er was geen vergelijkingsmateriaal op Java aanwezig. Pas een jaar na de vondst kreeg Dubois uit Europa eindelijk een chimpanseeschedel ter vergelijking toegezonden. Voorlopig hield Dubois het erop de dat de kies en het schedelkapje hadden toebehoord aan een reuzengibbon.

Het schedelkapje dat in oktober 1891 werd opgegraven.

 

Vondst van het dijbeen

Kort na de opgraving van het schedelkapje begon het moessonseizoen. Het team kon niet verder graven want de regen kletterde onophoudelijk neer en de Solorivier begon te stijgen. De opgravingsput veranderde in een modderpoel en verdween gedeeltelijk onder de waterspiegel. Het werk in Trinil kon uiteindelijk pas in mei 1892 weer worden hervat, toen het waterpeil weer tot normale waarden was gezakt. Na de hervatting van het werk werden weer de gebruikelijke hoeveelheden botten van zoogdieren gevonden, maar een nieuwe vondst van een primaat bleef uit. Tot oktober van dat jaar. De werkers haalden een opvallend langwerpig bot uit het tufsediment dat als twee druppels water op het dijbeen van een mens leek.

Het dijbeen dat in september 1892 werd opgegraven.

Het lag in dezelfde laag als de kies en het schedelkapje en daar slechts enkele meters van verwijderd. Hierdoor was Dubois ervan overtuigd dat de drie fossielen van een en hetzelfde individu afkomstig waren. Hij vermoedde dat het skelet voor de fossilisatie door de stroming van de rivier uitelkaar was gerukt waardoor de kies, het schedelkapje en het dijbeen wel in dezelfde laag terecht waren gekomen maar enkele meters van elkaar verwijderd waren geraakt.

Dubois was erg blij met de vondst van het dijbeen. Het toonde namelijk aan dat de mensaap van Java rechtop had gelopen en dat was een menselijk kenmerk. Weliswaar had hij geen overgangsvorm gevonden, toch stond zijn mensaap hoger op de evolutionaire ladder dan de andere mensapen. De mensaap van Java moest uit de bomen gekomen zijn en op de grond hebben geleefd en aangepast geraakt zijn aan manier van voortbewegen die voorbehouden was aan de mens. De vondst bewees dat het rechtop lopen al heel vroeg in de evolutie van de mens moest zijn ontstaan; de kiezen en de schedel zouden pas later menselijke vormen hebben aangenomen. Omdat hij zo'n grote betekenis aan het rechtoplopen toekende, veranderde Dubois de naam van zijn mensaap in Anthropopithecus erectus, de rechtoplopende mensaap.

Klik op het plusje voor een grotere foto

Dubois tekening van de sedimentlagen van Trinil. De kies, het schedelkapje en het dijbeen werden alle gevonden in laag D.

 

Toch de missing link?

In zijn hoofd bleef Dubois echter met andere gedachten spelen, zonder ze hardop uit te spreken. Het schedelkapje was wel erg groot voor een mensaap, zelfs voor een reuzengibbon. En het dijbeen, dat was in geen enkel opzicht afwijkend van dat van een mens. Had hij in plaats van een mensaap misschien toch niet een aapmens gevonden? Was hij toch niet op de missing link gestuit?