Home

Oog in oog met de dodo

De meeste kennis die we over de dodo hebben, is gebaseerd op zeventiende-eeuwse verslagen van Europeanen die het dier op Mauritius of in gevangenschap elders hebben gezien en op  een handvol incomplete exemplaren die in museumcollecties bewaard zijn gebleven. Reisverslagen van zeelui die de dodo in levenden lijve hebben gezien zijn natuurlijk erg belangrijk. Maar we moeten niet alles wat ze schrijven of tekenen zomaar geloven. Niet alle schrijvers en tekenaars waren even zorgvuldig in hun waarnemingen en soms vulden ze hun aantekeningen en schetsen thuis aan. Ook schreven ze regelmatig stukken van elkaar over of kopieerden elkaars tekeningen. 


Kaart uit het journaal van het schip De Gelderland, Nationaal Archief Den Haag. Te zien is een baai in het zuidwesten van Mauritius. Op de kaart is rechtsboven een eilandje gemarkeerd met de letter D, daar werden dodo's gevonden. 

Vroegste melding

Vóór de Nederlanders waren de Portugezen al op Mauritius geweest. Maar uit concurrentieoverwegingen hielden zij de informatie over hun reizen vaak geheim. Het zou dus kunnen dat er ergens niet uitgegeven Portugese reisverslagen bewaard worden, waarin melding gemaakt wordt van de dodo. Het zou kunnen dat de Portugezen Mauritius het zwaneneiland noemden, wat zou kunnen verwijzen naar de dodo's, die immers even groot waren als zwanen. Er zijn echter ook mensen die menen dat die naam van veel latere datum is.
Tot nu toe geldt echter het reisverslag van Jacob Cornelius van Neck als de eerste melding van de dodo. Samen met Wybrant van Warwijck vertrok Van Neck in 1598 met acht schepen uit Amsterdam om op weg te gaan naar Oost-Indië. Vijf van de acht schepen sloegen op Mauritius vers water en voedsel in. Van het originele verslag van de vloot van Van Neck is helaas geen Nederlands exemplaar bewaard gebleven. De uitgebreide versie van het verslag, ook wel Het Tweede Boeck, kwam in 1601 uit. In de zeventiende eeuw konden in Nederland vrij veel mensen lezen en reisverslagen waren enorm populair. Zo populair zelfs, dat ze in andere talen werden vertaald. In Het Tweede Boeck wordt over de dodo gezegd: "Vogels seer soo groot als bij ons de Swanen, met groote hoofden ende op het hooft een vel in maniere van een kapken. Hadden geen vleughels dan in plaetse van dien 3. oft 4. swarte pennekens ende daer haren steert souden staen stonden 4. oft 5. gekrulde pluimkens van coleur graeuwachtigh." Naast een beschrijving van dodo's bevat dit boek ook een afbeelding van de dodo. Het is de vroegste afbeelding die we van de vogel kennen. De tekening is vrij onbeholpen maar geeft toch een aardig beeld van het landschap op Mauritius en de bedrijvigheid van de zeelui. De titel van de kopergravure is Hoe dat wy opt Eilant Mauritius anders ghenaemt Do Cerne huis ghehouden hebben. Zoals uit de titel naar voren komt, zie je op de plaat de bedrijvigheid van de scheepslieden op Mauritius. Te zien is hoe timmerlieden een sloep maken en onder een boom zit een deel van de bemanning te luisteren naar een voorganger.




Prent uit het tweede boeck, 1601, exemplaar Maritiem museum Rotterdam. Bij de dodo wordt vermeld: Dezen voghel die is soo groot als een swaen, gaven hem den naem Walchvoghel want doen wy de leckere Duifkens ende ander clein ghevoghelte ghenoech vinghen toen taelden wy niet meer naar desen voghel.



Detail van de prent uit het Tweede Boeck, met schildpadden en een dodo.

Betrouwbaar?

In veel reisverslagen wordt de grootte van de dodo vergeleken met die van een zwaan. Bijvoorbeeld in het verslag van admiraal Cornelis Matelief. Hij vertelt dat er op Mauritius vogels leven die door sommigen Dodaersen genoemd worden en door anderen Dronten. Ook de naam Walgh-voghels noemt hij. Er staat: Dese zijn so groot als een Swane . Verder hebben de dieren groote dicke voeten met een grooten leelijcken beck en ooghen ende hebben gemeenlijkck inde maghe een steen soo groot als een vuist.
Ook in het reisverslag van de bekende Willem IJsbrantsz. Bontekoe komt de dodo er niet goed vanaf. Bontekoe verbleef in 1619 op het eiland Reunion. Pas in 1646 schrijft hij het verslag van die reis. Hij vertelt over de dodo die hij op het eiland zag. Het beest zou zo vet zijn dat het maar moeilijk vooruit kon komen. Bij de betrouwbaarheid van de waarnemingen van Bontekoe kun je vraagtekens zetten. Zo gaat hij er van uit dat eieren die hij schildpadden heeft zien leggen dezelfde dag worden uitgebroed, terwijl dit wel tachtig dagen kan duren. Niet alles wat hij schrijft over de dodo hoeft dus te kloppen. Het is zelfs niet eens zeker dat hij de dodo heeft gezien. Het zou ook kunnen dat Bontekoe zich bij het schrijven van zijn verhaal niet liet inspireren door zijn eigen herinnering maar door de reisverslagen van anderen. Lees hier de bewerkte versie van het verslag van Bontekoe.


Tekeningen

Een ander belangrijk reisverslag is dat van het VOC-schip De Gelderland. Dit verslag beschrijft de reis van De Gelderland naar Oost-Indië in de jaren 1601 1603,  onder leiding van Wolfert Harmensz. Van 27 september tot en met 20 oktober 1601 verbleef het schip op Mauritius. Terwijl veel reisverslagen in de zeventiende eeuw meteen na thuiskomst werden gepubliceerd, werd dit verslag slechts in fragmenten uitgegeven. Tot het eind van de negentiende eeuw was er weinig aandacht voor de reisbeschrijving, terwijl het voor het dodo-onderzoek een heel belangrijk document is. Het verslag bevat naast tekst namelijk ook nog eens zo'n honderd afbeeldingen, veelal gedetailleerde landkaarten maar ook tekeningen van dieren, waaronder een aantal van dodo's. Het oorspronkelijke logboek is nog in heel goede staat en bevind zich in het Nationaal Archief in Den Haag. De meeste tekeningen in het logboek zijn vermoedelijk gemaakt door Joris Joostensz Laerle. Aanvankelijk was hij aangenomen als onderstuurman en ziekentrooster op het schip Zeeland. Daar waren ze niet tevreden over zijn stuurmanskunsten en hij werd overgeplaatst naar De Gelderland. Op dit schip vond hij een passend baantje als tekenaar. Waarschijnlijk is Laerle niet verantwoordelijk voor alle tekeningen aangezien er soms een duidelijk minder geoefende hand te herkennen is.
Deze vroege, naar het leven getekende dodo's zijn erg belangrijk. Meer over de tekeningen lees je hier.


Tekeningen van dodo's uit het verslag van De Gelderland, Nationaal archief Den Haag. Onder aan de rechterpagina staat geschreven: Deese vogels vanckt men op het eijlandt Mauritius in grote menichten, want sij en connen [niet] vlien ende is goet eeten ende verversing. Hebben dickmaels steenen inde maech ende als eijren, somtijts grooter ende cleijnder. Sijnde genaempt griffeendt ofte cermes gaensen.


De laatste melding
Niet lang na de komst van Europeanen op Mauritius was de dodo al vrij zeldzaam geworden. Verslagen uit 1602 maken nog melding van veel dodo's maar in een reisverslag uit 1658 spreekt men al van de zeldzaamheid van de vogels. Na de komst van mensen op Mauritius was het dus snel slechter gegaan met de dodo. Maar het is niet duidelijk wanneer de vogel precies uitgestorven is. Sommige wetenschappers gaan uit van het jaar 1681, omdat Benjamin Harry, eerste stuurman op het schip Berkley, in dat jaar nog melding maakt van de dodo. Het is alleen helemaal niet zeker of zijn verhaal wel klopt. Volgens anderen is Volkert Evertszen in 1668 een van de laatsten die dodo's heeft gezien. Hij was een schipbreukeling die op Mauritius terechtkwam.


Speuren in archieven
In veel reisverslagen komt dezelfde informatie voor. Bijvoorbeeld de vergelijking tussen de dodo en een zwaan, de slechte smaak van het vlees, waaraan de dodo waarschijnlijk zijn bijnaam walghvogel te danken heeft, en de stenen in de maag van de dodo. Toch zijn er ook reisverslagen die aanvullende of tegengestelde informatie geven. Soms gaat het dan maar om één zinnetje. Zo ging de dodo volgens Reyer Cornelisz op de Utrecht "recht op haer voeten ofte het een man persoon was". Deze schrijver geeft dus een heel ander beeld dan bijvoorbeeld Bontekoe, die stelt dat de dodo met zijn gat over de grond sleepte en maar moeilijk vooruit kon komen. Ook zijn er verslagen bekend waarin wordt gezegd dat de dodo's hard konden bijten en hard konden lopen. Misschien liet de vogel zich dus helemaal niet gemakkelijk doodknuppelen zoals andere schrijvers beweren. Wie meer over de dodo en zijn leefwijze wil ontdekken moet dus de archieven in.


Exportproduct

Hoewel sommige auteurs klaagden over het taaie vlees van de dodo en het beest zelfs walghvogel noemden, werd het dier toch gegeten. De maag en de borst van het dier schijnen namelijk wel goed gesmaakt te hebben. Maar de dodo werd niet alleen gebruikt voor een lekker maal aan boord, het dier werd ook een exportproduct. Scheepslui namen dodo's en andere exotica mee van hun reizen. Emmanuel Altham kwam bijvoorbeeld in juni 1628 op Mauritius aan en stuurde zijn broer in Engeland een aantal cadeaus met een brief erbij. Hierin is te lezen: 'Of Mr. Perce you shall receive a jarr of ginger for my sister, some beades for my cosins your daughters, and a bird called a Dodo, if it live'. Van de dodo's die meegenomen werden is vaak niet duidelijk of ze ook levend hun bestemming bereikten.
Van een andere Engelsman, Sir Hamon Lestrange, weten we dat er in Londen in 1638 een levende dodo te zien was. Hij beschrijft het dier als een vogel die een opgerichte houding heeft. Ook noemt hij stenen die de dodo volgens zijn eigenaar zou eten. De kleur die de vogel heeft is volgens de beschrijving "muisgrauw hertkleurig en de kleur van een jonge fazantenhaan".
Ook Peter Mundy heeft volgens eigen zeggen dodo's buiten Mauritius gezien. Peter Mundy was een Engelsman die veel reisde en daar een verslag van bijhield. Hij wordt gezien als een betrouwbare schrijver. Zelf was hij rond 1630 ook op Mauritius maar opvallend genoeg zag hij daar geen dodo's. Hij vertelt dat hij zich herinnert twee dodo's gezien te hebben in Surat in India. Dit zou kunnen kloppen want de menagerie van de heerser Jahangir was gevestigd in Surat.
Ook in Nederland zijn zeer waarschijnlijk levende dodo's geweest, maar harde bewijzen hiervoor ontbreken. De kunstenaar Adriaen van der Venne tekende in 1626 een dodo en schreef erbij dat het ging om de dodo die in dat jaar levend van Mauritius naar Amsterdam werd gebracht.

Kunst- und wunderkammer

Behalve levende dodos zijn er ook zeker opgezette exemplaren van het dier geweest. Opgezette dieren kwamen bijvoorbeeld terecht in de Kunst- und Wunderkammer van een vorst. Dit fenomeen is ontstaan in de zestiende eeuw. Je kan dit zien als een vroege voorloper van het museum. In zon Kunst- und Wunderkammer werden zowel kunstvoorwerpen (zoals schilderijen) als naturalia (schelpen, opgezette dieren) verzameld. De collectie was eigenlijk een afspiegeling van de hele wereld en moest de ordening van de natuur en de schoonheid van de schepping weerspiegelen.
Je kunt je wel voorstellen dat een opgezette dodo in zo'n verzameling niet zou misstaan! Keizer Rudolf II in Praag was een van de gelukkigen die er een in zijn bezit had. Hij had de grootste collectie die ooit door één persoon bij elkaar is gebracht. In 1976 werd een inventaris gepubliceerd van zijn verzamelingen. De lijst is geschreven tussen 1607 1611. En tussen de vele opgezette dieren wordt ook een walghvogel genoemd. Soms wordt er naar aanleiding van de inventaris wel aangenomen dat er een levende dodo in Praag is geweest, maar hier is tot nu toe geen bewijs voor.
Dood of levend, de dodo zou in ieder geval op een van de eerste reizen meegenomen moeten zijn van Mauritius. Ook van andere vogels is bekend dat ze meegenomen werden naar Amsterdam en vervolgens werden doorverkocht aan Rudolf II.
Keizer Rudolf II kocht niet alleen veel spullen voor zijn collectie, hij gaf zelf ook veel opdrachten aan kunstenaars die hij in dienst had. Bekende schilders die voor hem werkten waren Joris Hoefnagel en en Roelant Savery. De laatste heeft veel afbeeldingen van dodo's gemaakt. Deze kun je zien in de tijdlijn met afbeeldingen.

Klik op het plusje voor een grotere foto

Kabinet met naturalia van Ferrante Imperato,  gravure uit Dell'Historia Naturale (1599), Ferrante Imperato. Dit is de vroegst bekende afbeelding in zijn soort.


Geen compleet beeld

Hoewel er redelijk wat mensen oog in oog hebben gestaan met de dodo, zowel op Mauritius als daarbuiten, geven de verslagen van zeventiende-eeuwers toch geen compleet beeld van het dier. De verslagen spreken elkaar vaak tegen of zijn juist van elkaar gekopieerd. Daarom kunnen aan de hand van de reisverslagen alleen geen harde conclusies getrokken worden over het uiterlijk of de leefwijze van de dodo. Gelukkig zijn er ook nog andere manieren om hier meer over te weten te komen: bijvoorbeeld zeventiende-eeuwse afbeeldingen en opgravingen op Mauritius.


Dit artikel is geschreven door Eline Levering, studente Kunstgeschiedenis en Journalistiek en Nieuwe Media aan de Universiteit Leiden.