Home

Aan de bosrand

De warmte van de zon is goed te voelen aan de rand van het bos. Dit is dan ook de plek waar bloemen, druiven en theeplanten groeien. Klimplanten in de bomen vormen een dicht gordijn. Een oertapir steekt zijn neus erdoor.

Reuzenmier
Schubdier
Miereneter
Primitieve tapir
Loopvogels

 

 

 

Bloeiend dieren- en plantenleven was er vooral aan de zonnige randen van het bos, waar gevallen bladeren voor een zonnige open plek zorgden. Ook het in de zonnige overgangsgebieden tussen moerassen aan de oever en het omringende regenwoud was dit het geval.

Klimmende, kruipende en slingerende plantensoorten vormden een soort gordijn van lianen. Verder kwamen druiven (Vitaceae), schroefpalmen (Pandanaceae) en klimpalmen veel voor. Waarschijnlijk kronkelden zij over de stronken van de grote bomen. Datzelfde deden de liaanachtige klimplanten  van de familie Menispermaceae. Net zoals in huidige regenwouden werden open plekken vrijwel direct weer gekoloniseerd door plantensoorten waarvan de jonge exemplaren snel groeiden. Grote open plekken trokken andere lichtminnende en snel groeiende pioniersoorten aan, die al snel een dichte ondergroei vormden. Op plekken waar de lichtcondities het toestonden, kon een ondergroei van struiken en kleine boompjes bestaan in het midden van het bos. Veel soorten kwamen juist daar voor, bijvoorbeeld vertegenwoordigers van de theefamilie (Theaceae).

Waarschijnlijk werden de bosrand en de open plekken van het regenwoud van Messel regelmatig bezocht door grotere vertebrate soorten, zoals de vroege tapir Hyrachyus minimus en de grote niet-vliegende vogel van het geslacht Gastornis. Bladetende soorten, zoals de primitieve paarden van het geslacht Eurohippus, leefden in gebieden met dichtere ondergroei. Dit waren ook de jachtgebieden van behendige, grotere insecteneters, terwijl de lage struikachtige gebieden veiligheid boden aan de kleinere zoogdieren.