Home

Het gebit

Het zoogdierengebit†bestaat uit verschillende soorten tanden en kiezen†die ieder†een†specifieke functie vervullen in de voedselverwerking. Dit zogenaamde gedifferentieerde gebit is†kenmerkend voor zoogdieren. De samenstelling van het gebit verschilt per soort en wordt uitgedrukt in de tandformule.

Snijtanden

Bij†planteneters staan de snijtanden vooraan in de kaak.†Ze†sluiten zo nauw op elkaar aan dat†ze eigenlijk ťťn geheel vormen.†De rijtjes†in boven- en onderkaak werken samen als†een soort schaar,† bijvoorbeeld om gras af te knippen.†Knaagdieren†gebruiken hun lange kromme snijtanden om harde noten en vruchten te openen. Doordat de snijtanden bij honden en katten†wat uit elkaar staan hebben ze het uiterlijk van een kam. Dat is handig†om ongedierte en losse haren uit de vacht†te halen.†De slagtanden van olifanten zijn ook snijtanden. Zij gebruiken ze om de grond om te woelen of in het geval van de wolharige mammoet om ijs te verwijderen om†beter bij†het voedsel te komen.

schedel paard

Hoektanden

Roofdieren gebruiken hun hoektanden†om een†prooi te†doden en te verslepen.†In verhouding†tot de andere tanden zijn de hoektanden erg groot. Dat is ook het geval bij insecteneters die er†harde insectenschilden†mee kapotmaken. Bij zwijnenmannetjes†blijven de hoektanden het hele leven doorgroeien. Zo wordt het afslijten gecompenseerd†dat wordt veroorzaakt†door het omwoelen van de grond op zoek naar voedsel. Bij de meeste†planteneters en enkele omnivoren zijn de hoektanden erg klein of verdwenen, omdat ze niet of nauwelijks een functie hebben in de voedselverwerking.

Valse kiezen†(premolaren)

De valse kiezen (premolaren) hebben bij de planteneters en alleseters een maalfunctie. Ze zijn meestal kleiner dan de ware kiezen (molaren) en leveren dan ook een kleinere bijdrage aan het vermalen van voedsel. Bij enkele herbivoren, zoals het paard, zijn de premolaren wel even groot als de molaren. Dit verschijnsel (molarisatie) zorgt voor een vergroot maaloppervlak. Bij vleeseters hebben de premolaren een grijp- en knipfunctie. De achterste vierde premolaar in iedere zijde van†de bovenkaak is sterk vergroot en vormt samen met de eerste molaar uit de onderkaak het zogeheten scheurkiescomplex. Dit complex zorgt ervoor dat vlees in kleine stukjes kan worden geknipt. De overige premolaren van katachtigen hebben een kleine grijpfunctie en bij de hondachtigen hebben ze een kleine scheurfunctie.

Ware kiezen (molaren)

De achterste kiezen in de kaak spelen de grootste rol†bij het vermalen van voedsel. Vooral die van planteneters en†alleseters†zijn†sterk ontwikkeld en†aangepast†aan de malende functie. Zo vallen bijvoorbeeld bij olifantachtigen de boven- en onderkaakskiezen in elkaar (bol en hol), waardoor het vermalen van planten nog beter kan plaatsvinden. Bij vleeseters zijn de molaren grotendeels verdwenen, omdat ze bij hen geen functie meer vervullen.†Voor de verwerking is het niet nodig het vlees eerst te pletten. Het kan meteen worden doorgeslikt. Molaren zijn alleen aanwezig in een volwassen dierengebit. Premolaren komen ook voor in het melkgebit en worden op een gegeven moment gewisseld en vervangen door de premolaren†van het volwassen gebit.

De tandformule

De samenstelling van het gebit wordt weergegeven†met de tandformule, ook wel gebitsformule genoemd.†Daarin staat het aantal tanden in een kaakhelft van†de onder-†en bovenkaak.†In de onderstaande tabel staat†de maximale gebitsformule.†Je leest de formule van voor (de snijtanden) naar achter (de molaren) in de kaak. Geen van de in Nederland levende zoogdieren heeft meer tanden van een bepaalde soort in zijn gebit dan hieronder staat aangegeven. De gebitsformules van de dieren†in ons webthema†kiezen determinatie staan zijn terug te vinden bij de beschrijvingen per diersoort.

terug naar uitleg over de tand