Home

De ontwikkeling van het kinderbrein

Vanaf het eerste levensjaar ontwikkelen kinderen de kenmerken die de mens onderscheiden van andere organismen. Het misschien wel meest onderscheidende kenmerk is dat we kunnen praten. Dit leren we in de kindertijd. Daarnaast gaan kinderen rechtop lopen en worden ze zich bewust van het eigen bestaan.

 

De gebieden van de hersenschors die betrokken zijn bij praten

 

Explosies van woorden en zinnen

Op zijn eerste verjaardag begrijpt een gemiddeld kind zeventig woorden. Alhoewel hij dus al een behoorlijk aantal woorden begrijpt, kan hij er dan nog niet zoveel spreken: gemiddeld zes. Tussen de twaalf en achttien maanden leert een kind een paar nieuwe woorden per maand. Er zitten ongeveer vijf maanden tussen de tijd dat een peuter een bepaald aantal woorden begrijpt en de tijd dat hij hetzelfde aantal ook kan spreken.
Zodra een kind ongeveer vijftig woorden spreekt, explodeert in één keer zijn woordenschat. Op dat moment voegt hij iedere dag één, twee of zelfs drie woorden aan zijn woordenschat toe. Het aantal begrepen woorden stijgt zelfs nog sneller. Wanneer een kind zes jaar oud is, begrijpt hij ongeveer 13.000 woorden. Hij spreekt er dan nog lang niet zoveel.

De explosie in gesproken en begrepen woorden wordt binnen een paar maanden gevolgd door een explosie in begrepen en gebruikte grammatica. Wanneer ze tussen anderhalf en twee jaar oud zijn, beginnen kinderen 'zinnen' te maken van twee woorden. Tweejarigen beginnen met het toevoegen van kleine beetjes grammatica. Op driejarige leeftijd start de explosie in het toepassen, begrijpen en kunnen gebruiken van grammatica. Van de 'twee woorden'-fase gaan de kinderen direct door naar de 'meer woorden'-fase waarin meer en meer woorden tot grammaticaal (bijna) correcte zinnen worden gesmeed.  

Al in de baarmoeder beginnen zich in de hersenen van het ongeboren kind de gebieden te ontwikkelen die gebruikt zullen worden voor taal. Dat zijn de gebieden van Broca en Wernicke, die alletwee in de linkerhersenhelft liggen. Tussen het eerste en vierde levensjaar neemt de ontwikkeling van deze hersengebieden een spurt die samengaat met het leren praten. Het gebied van Wernicke dat betrokken is bij de betekenis van woorden ontwikkelt zich eerder dan het gebied van Broca dat betrokken is bij grammatica.



In het bewegingsgebied van de hersenen zijn de zenuwcellen zo geordend dat ieder plekje de spieren van een bepaald onderdeel van je lichaam aanstuurt. Hoe groter het plekje in het bewegingsgebied, hoe ingewikkelder de bewegingen die het bijbehorende lichaamsdeel kan maken.



Met vallen en opstaan

Kinderen leren kruipen, lopen, rennen en uiteindelijk wordt hun motoriek steeds fijner, zodat ze ook bijvoorbeeld hun veters kunnen strikken of kunnen schrijven. Bijna ieder kind bereikt dezelfde bewegingsmijlpalen op dezelfde leeftijd (zie tabellen 1 en 2). Het perfectioneren van zowel de grove als de fijne motoriek gaat samen met de ontwikkeling van hersengebieden die betrokken zijn bij beweging.



Tabel 1. Leeftijden waarop gemiddeld de verschillende mijlpalen voor grove motoriek worden behaald.

Leeftijd (maanden)

 Grove Motoriek

 1-2

 Houdt hoofd recht en stil

 2-3

 Zit met steun

 3-4

 Rolt van buik naar rug

 6-7

 Rolt van rug terug naar buik

 6-8

 Zit alleen

 8-9

 Trekt zich op tot staan

 9

 Kruipt

 9-10

 Loopt met hulp

 11-12

 Staat alleen

 12-13

 Loopt alleen


Tabel 2. Leeftijden waarop gemiddeld de verschillende mijlpalen voor fijne motoriek worden behaald.

Leeftijd (maanden)

Fijne Motoriek

 1-3

 Reiken (ineffectief)

 3

 Vrijwillig grijpen

 4-5

 Succesvol reiken en grijpen

 6-7

 Gecontroleerd reiken en grijpen

 9

 Iets tussen duim en wijsvinger kunnen vastpakken

 10

 In handen klappen

 12-14

 Objecten ongecontroleerd en onvoorzichtig loslaten

 18

 Gecontroleerd loslaten van objecten



Ik ben ik

Wanneer een kind anderhalf jaar oud is, begint hij zich bewust te worden van zichzelf. Dat merk je doordat hij of zij vaker woorden zoals "ik", "mij", of "mijn" gaan gebruiken. Het hebben van zelfbewustzijn is eenvoudig te testen door met een stift een punt op de neus van een kind te tekenen en hem vervolgens een spiegel voor te houden. Het kind herkent dat iets aan hemzelf veranderd is en zal proberen de stip eraf te vegen. Alleen van mensapen, olifanten en van bepaalde soorten dolfijnen wordt gedacht dat ze zelfbewustzijn hebben omdat ze net als mensen voor deze test slagen. Een kat denkt bijvoorbeeld dat zijn spiegelbeeld een andere kat is.


volgende ontwikkelingsfase: het tienerbrein >



Augustus 2007
Redactie Natuurinformatie Naturalis
Illustraties Bas Blankevoort