Home

Het indelingsprincipe van Linnaeus

In 1735 publiceerde Carolus Linnaeus een nieuw ordeningsprincipe op basis van een kleine hoeveelheid uiterlijke kenmerken. Het systeem was zo goed toepasbaar dat we het nu nog steeds gebruiken. In 1753 kwam hij bovendien met een oplossing voor wetenschappelijke naamgeving. Linnaeus werd door zijn ideeėn de grondlegger van de huidige taxonomie.

Vanwege de enorme aanwas van bekende dier- en plantensoorten in de zeventiende en achttiende eeuw begonnen wetenschappers met het maken van hanteerbare indelingen van de natuur. Hadden ze dat niet gedaan, dan zou het overzicht verloren zijn gegaan. Helaas waren de indelingen niet allemaal even bruikbaar. De meeste werden nooit echt geaccepteerd en verdwenen daarom al gauw. Totdat de Zweedse plantenkundige Carolus Linnaeus (1707 1778) zijn indelingsprincipe presenteerde. Deze methode bleek zo goed bruikbaar dat het binnen enkele jaren algemeen gebruikt werd.

Van oorsprong was Linnaeus arts. Maar zijn interesse lag veel meer bij de plantkunde. Kennis van planten was in die tijd nog erg belangrijk bij het samenstellen van medicijnen. Omdat het niveau van de geneeskunde in Zweden niet hoog was, trok hij naar Nederland om te promoveren. Hij leverde enkele artikelen in bij de toenmalige Universiteit van Harderwijk. Binnen vijf dagen kreeg hij zijn graad als doctor in de Geneeskunde. Vervolgens ging Linnaeus naar Leiden, om zich daar aan één van de beste universiteiten van Europa te specialiseren in de botanie.

Linnaeus zag zichzelf als uitverkorene om soorten te ordenen. De prachtige natuur die door God geschapen was, moest door hem netjes ingedeeld worden. Zijn nogal arrogante motto was God schiep, Linnaeus ordent. In 1735 publiceerde hij in Leiden het eerste deel van zijn Systema Naturae (het natuurlijke systeem). Het was een indeling van de natuur in drie rijken, namelijk planten, dieren en gesteentes.

Systema naturae

 

Het systeem van Linnaeus had een strakke, hiėrarchische indeling. Verwante soorten vormden samen een zogenoemd geslacht. Geslachten werden gegroepeerd in op steeds groter niveau- een orde, klasse en rijk. Oorspronkelijk was de indeling gebaseerd op de seksuele organen van planten. Daarbij waren de mannelijke meeldraden belangrijker dan de vrouwelijke stampers: het aantal meeldraden bepaalde de plantenklasse en de hoeveelheid stampers bepaalde daarbinnen de orde waartoe de soort behoorde. Vanwege latere ontdekkingen bleek het nodig om nog meer groepen toe te voegen. Tegenwoordig zit tussen het geslacht en de orde nog het niveau van de familie. Tussen de categorieėn klasse en rijk zit de stam.

Voor de internationale wetenschap is goede communicatie noodzakelijk. Helaas bestonden tot de achttiende eeuw alleen lokale namen, wat uitwisseling van informatie bemoeilijkte. Zo wordt de goudvink in het Engels nog steeds bullfinch genoemd, vanwege zijn dikke nek. De Britten hebben wel een goldfinch, maar die vogelsoort heet in het Nederlands putter. Om die verwarring te voorkomen gebruikten achttiende-eeuwse wetenschappers opsommingen van eigenschappen om soorten te benoemen. Maar zon opsomming kon wel twee regels lang zijn en dan nog was het niet altijd duidelijk om welke soort het ging. De huiskat werd bijvoorbeeld katachtige met lange staart en gelijkmatig gevormde oren genoemd. Maar wie zegt dat het hier niet gaat om een tijger of een leeuw?

In 1753 introduceerde Carolus Linnaeus een nieuwe naamgeving voor de wetenschap: de binomiale nomenclatuur. Wetenschappelijke soortnamen bestonden voortaan uit twee delen: de soortnaam zelf wordt voorafgegaan door de naam van het geslacht. De huiskat heet nu Felis catus. Doordat die geslachtnaam Felis uniek is, kunnen we direct aan zon dubbele naam zien tot welke groep de huiskat behoort. Op deze manier koppelde Linnaeus de naamgeving dus direct aan zijn hiėrarchische indeling. Een ingenieuze vondst!