Home

Krijgen gestresste varkensmoeders probleembiggen?

Stress tijdens de zwangerschap leidt tot kinderen met gedragsproblemen. Een zeug ervaart in de bio-industrie heel wat stress, maar haar biggen lijken daarvan eerder apathisch dan hyperactief.

Varkens hebben het niet gemakkelijk. Na drie tot vier weken worden ze bij de moeder weggehaald (gespeend) waarna ze dicht op elkaar leven in kale hokken. Per varken is er afhankelijk van de leeftijd 0,4-1,0 vierkante meter ruimte. In de betonnen hokken is weinig te beleven. Voer zorgt voor afleiding, maar door de hoge concentratie aan voedingsstoffen hebben ze het snel op. Ze zoeken afleiding bij elkaar en knabbelen aan staarten, oren en poten van hun hokgenoten.

Dit levert economische schade - een varken dat eenmaal bloedt, is extra aantrekkelijk voor zijn soortgenoten om in te bijten - en verslechtert de leefsituatie van de varkens nog verder. In de praktijk vormt dit de legitimatie om, ondanks een wettelijk verbod op het couperen van staarten, bij pasgeboren biggen de staart flink in te korten. Het is beter om het probleem bij de bron aan te pakken. Daarom onderzoekt ID-Lelystad wat de achtergrond is van gedragsafwijkingen bij biggen en welke factoren voor en na de geboorte†het gedrag van biggen beÔnvloeden.

Foetaal brein

Het ene varken kan beter tegen deze stress dan het andere. Dat hangt samen met genetische verschillen, maar opgroeicondities spelen ook een rol. Zelfs de tijd in de baarmoeder lijkt cruciaal. Hormonale veranderingen in de moeder bereiken via de placenta ook de ongeboren vrucht. Het snel ontwikkelende foetale brein is hier zeer gevoelig voor. Afhankelijk van het ontwikkelingsstadium heeft dit blijvende invloed op het centrale zenuwstelsel† en het neuro-endocriene systeem van het jonge dier. Zo zijn er aanwijzingen dat een verhoogd testosteronniveau tijdens de prenatale ontwikkeling leidt tot een toegenomen agressiviteit.

Onderzoek bij andere diersoorten laat zien dat stress tijdens de zwangerschap leidt tot problemen bij de nakomelingen. Rattenjongen van gestreste moeders zijn hyperactief. Ze raken zelf eerder gestrest, hun bloed bevat hoge concentraties stresshormonen als ACTH en corticosteron en ze presteren slechter in leertesten. Rhesusaapjes, waarvan de moeder tijdens de zwangerschap werd blootgesteld aan milde stress, zijn minder onderzoekend dan hun controle-leeftijdgenootjes. Ze vertonen minder spelgedrag en reageren heftiger in stressvolle situaties.

Ook mensenkinderen ontwikkelen zich slechter als hun moeders gestrest waren tijdens de zwangerschap. Bij mensen zijn deze studies natuurlijk meer subjectief van aard, omdat we ze niet als proefdieren gecontroleerd blootstellen aan een specifieke stressfactor. Desondanks zijn er sterke aanwijzingen dat moeders die zich tijdens de zwangerschap veel zorgen maakten over de bevalling of de gezondheid van het ongeboren kindje, een grotere kans hebben op een hyperactief kind.

Bevolkingsonderzoek laat zien dat moeders die gespannen zijn door het overlijden van een gezinslid of die leven in slechte sociale omstandigheden of een oorlogssituatie, vaker kinderen krijgen met een lager geboortegewicht, een slechter concentratievermogen en een achterstand in de motorische en psychische ontwikkeling. Aan de hand van gezondheidsdossiers is bijvoorbeeld gekeken naar het effect van de hongerwinter in 1944-1945. Kinderen geboren uit moeders die tijdens de winter zwanger waren, hadden als volwassene meer concentratieproblemen en een verhoogde kans op hartafwijkingen, een hoge bloeddruk en diabetes-type-II. Het is wel discutabel om dit geheel op stress te gooien omdat ook honger en kou effect hebben gehad.

Strak productieschema

De gevolgen van de stress bij de moederdieren was voor ID-Lelystad dus een logisch onderzoeksonderwerp. Zeugen in fokbedrijven krijgen tijdens de dracht behoorlijk wat stressvolle situaties te verwerken. Onder natuurlijke omstandigheden brengen varkens per jaar zelden meer dan ťťn toom biggen groot. Ze bouwen daarvoor een nest van takken, twijgen en bladeren. De biggen volgen dan al spoedig na de geboorte hun natuurlijke behoefte om al wroetend in de grond voedsel te zoeken. Geleidelijk verruilen ze zo hun moedermelkdieet voor een rijk gevarieerd omnivorenrantsoen.

De intensieve varkenshouderij werkt met een veel strakker productieschema. Zeugen hebben een draagtijd van 115 dagen. Ze brengen per jaar gemiddeld 24 biggen ter wereld in gemiddeld 2,3 worpen. De zeug mag haar jongen vier weken bij zich houden. Zes dagen nadat de biggen zijn verwijderd, wordt ze in de regel opnieuw gedekt of geÔnsemineerd. Zonder de stimulatie van de spenen door de biggen tijdens het zogen raakt de zeug in die tijd weer paringesbereid (berig). Het succes van deze reproductiecyclus, het aantal gespeende†biggen per zeug per jaar, bepaalt in hoge mate de rentabiliteit van het varkensfokkersbedrijf.

Een soepel verloop van deze bedrijfsvoering vraagt aanpassingsvermogen van de zeugen. Vooral dieren die laag in de rangorde staan hebben het zwaar te verduren. Nadat de biggen zijn verwijderd, verlaten ze de kraamafdeling. Vanuit de individuele kraambox komen ze terecht in een groep waarin ze verblijven totdat ze opnieuw moeten werpen. Omdat varkens van nature in een hecht sociaal verband met een duidelijke hiŽrarchie leven, gaat deze introductie vaak gepaard met gevechten tussen nieuwkomers en reeds aanwezige, vaak drachtige dieren. Relatief kleine hokken met beperkte vluchtmogelijkheden verhogen de stress nog meer.

Voedingsstress

Een andere stressfactor is de wijze van voeren. Onbeperkte voeding tijdens de dracht geeft gezondheidsrisico's en is bovendien economisch niet aantrekkelijk. Drachtige zeugen krijgen daarom minder voedsel dan ze zouden willen waardoor opnieuw gevechten kunnen ontstaan. Vooral als de zeugen ťťn voor ťťn moeten eten en het mogelijk is van elkaar voer te 'stelen'. Deze situatie herhaalt zich iedere dag een aantal keren. Terugkeer naar het individuele kraamhok geeft opnieuw stress. De zeug zit in een kooi waarin ze zich niet kan omdraaien. Deze wijze van huisvesten moet voorkomen dat zeugen per ongeluk op hun eigen biggen gaan liggen, maar het gevolg is dat ze sterk beperkt worden in hun bewegingen.

Experimenten

ID-Lelystad†gebruikt bij haar experimenten in eerste instantie geen experimentele prikkels, als kleine hokken of veelvuldige groepswisselingen. Individuele dieren reageren namelijk vaak verschillend op dezelfde stress. Zo zal de ene hond wel bang zijn voor vuurwerk, terwijl de andere hond er niet warm of koud van wordt. De varkens kregen capsules met het hormoon cortisol in een snoepspekje.

Er is gekozen voor cortisol als model omdat dit hormoon betrokken is bij het ontstaan van effecten van prenatale stress. Pas als duidelijk is dat cortisol de ontwikkeling en het gedrag van biggen beÔnvloedt, zullen we kijken of stressituaties bij dragende zeugen de nakomelingen op vergelijkbare wijze beÔnvloeden. Om additionele stress te vermijden verbleven de zeugen in ruime individuele hokken met stro, van waaruit ze andere zeugen konden zien, aanraken en horen.

Twijfelachtig voordeel

We wilden weten in welk stadium van de dracht stress de meeste schade aanbracht aan de ongeboren vrucht. Drie groepen zeugen kregen in afwisselende perioden tweemaal daags een capsule met cortisol. Een controlegroep kreeg gedurende de hele dracht een placebocapsule toegediend.

De geboorten werden gefilmd. De draagtijd, het geboortegewicht, de sexratio en het aantal geboren biggen (zowel dood als levend) werden geregistreerd, en de uitval van biggen tot een leeftijd van acht weken werd vergeleken. In die perioden werden ook gedrags- en fysiologische testen met de biggen uitgevoerd., waaronder een sociale interactie-test en een test waarbij gekeken werd hoe biggen reageren op een onbekend voorwerp.

Gek genoeg lijken de biggen van gestreste varkensmoeders juist minder agressief ten opzichte van biggen van controlezeugen. Ze reageren bovendien minder actief op een nieuwe omgeving en zijn minder geÔnteresseerd in onbekende voorwerpen. Wat het effect is op de gevoeligheid voor ziekten is nog niet geheel duidelijk, maar het lijkt erop dat de koorts na infectie bij deze biggen langer aanhoudt.

De verminderde neiging te exploreren zou kunnen leiden tot minder staartbijten. Aan de andere kant verweren de passievere dieren zich wellicht minder tegen hapbewegingen van hun hokgenoten. Ze ondergaan dit passief. Vooral aan het begin en het einde van de zwangerschap heeft cortisol dit effect op het nageslacht. Mogelijk komt dat doordat in de eerste periode de hersenstructuren aangelegd worden en in de laatste fase neurologisch in de 'goede stand' worden gezet om het leven buiten de baarmoeder aan te kunnen. Het lijkt of de stressrespons van de moeder haar jongen voorbereidt op een gestresst leven, een twijfelachtig evolutionair voordeel. Minder grote gevoeligheid beschermt als het ware tegen de harde buitenwereld.

Dr†ing Hans Hopster (hoofd onderzoeksgroep dierenwelzijn bij ID-Lelystad) en†drs Godelieve Kranendonk†(onderzoeker bij ID-Lelystad).
Deze tekst is met toestemming overgenomen uit Natuur & Techniek Wetenschapsmagazine (aprilnummer 2003)