Home

Bij de beesten af: stress bij dieren

Dieren kunnen zich uitstekend aanpassen aan stress. De bio-industrie vergt echter zoveel van beesten dat hun aanpassingsvermogen ontoereikend is. De speurtocht naar dierenwelzijn begint bij het dier, niet bij de mens.

Vrijwel iedere burger denkt tegenwoordig te weten dat het welzijn van varkens en kippen te wensen overlaat. Zodra het op de portemonnee aankomt blijken de idealen van veel consumenten echter niet al te diep te zitten en kiezen ze voor het goedkoopste stukje vlees.

Van oudsher gebruikt de mens dieren voor het verschaffen van voedsel, kleding, trekkracht of gezelschap. Wilde dieren hebben zich in een langdurig domesticatieproces aangepast aan de eisen die door de mens worden gesteld. Sinds de Tweede Wereldoorlog veranderen de productieomstandigheden van onze dieren echter zo drastisch dat de soorten zich niet of nauwelijks meer kunnen aanpassen.

Voor het dier en voor de economie een probleem

Het aantal dieren is explosief gestegen. Jaarlijks 'verbruiken' wij in Nederland ongeveer 120 miljoen landbouwhuisdieren, zestien miljoen gezelschapsdieren en driekwartmiljoen proefdieren. Dergelijke aantallen vragen om een efficiŽnte en kostenbesparende huisvesting en verzorging. In een aantal gevallen voldoet de huisvesting en verzorging echter niet meer aan de minimumeisen die het dier zelf aan zijn omgeving stelt. Het aanpassingsvermogen van het dier schiet tekort met ziekte, abnormaal gedrag en sterfte als gevolg.

Gebrek aan dierenwelzijn is in de eerste plaats een economisch probleem. Er is helaas nog onvoldoende kennis om dieren diervriendelijk te huisvesten en tegelijkertijd economisch te produceren.

Wat is dierenwelzijn eigenlijk?

Er bestaat nog geen eenduidige definitie van het begrip 'dierenwelzijn' en er worden daarom vaak tegenstrijdige oplossingen gekozen om welzijnsproblemen op te lossen. Niet zelden moet het dier zich maar aanpassen aan het houderijsysteem. Een treffend voorbeeld is het afbranden van de snavelpunt bij kippen om beschadigend gedrag en kannibalisme in grote kippenstallen te voorkomen. Dit is vanuit economisch oogpunt misschien wel pragmatisch, maar het is duidelijk niet de oplossing voor het fundamentele dierenwelzijnsprobleem dat eraan ten grondslag ligt. De oplossing moet eerder gevonden worden in de wijze van opfokken, de huisvesting en de groepsgrootte.

Onderzoek naar dierenwelzijn

Het is economisch ondenkbaar dat de landbouw in zijn geheel zal terugkeren naar de vroegere kleinschaligheid. Wat we wel kunnen proberen is het streven naar een steeds hogere productie om te buigen naar een meer optimale productie, die rekening houdt met de aanpassingsmogelijkheden van dieren. De Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) en het Ministerie voor Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit (LNV) startten in 1996 een onderzoeksprogramma dat meer moet opleveren over het aanpassingsvermogen van landbouwdieren wat betreft gedrag, ontwikkeling, groei, voortplanting, energiewinning en immunologische afweer.

Natuurlijke situatie de norm?

Je zou verwachten dat een houderijsysteem dat zoveel mogelijk lijkt op de natuurlijke omgeving van de dieren het beste is. Dat is echter maar ten dele waar. De natuur is hard. Onder condities van extreme kou bijvoorbeeld sterven vele dieren in het wild door ondervoeding en bevriezing. Alleen de dieren met† de beste lichamelijke conditie die beschutting weten te vinden zullen overleven. De soort overleeft maar veel dieren hebben zwaar geleden.

Wanneer de mens echter als veehouder zorgt voor dieren gaat het niet om het wel of niet overleven van de soort maar om het welzijn van het individu. Wanneer dat welzijn optimaal is kun je ook rekenen op een maximale productie en een minimale uitval. In tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt kan de natuur dus niet zonder meer de norm zijn voor onze omgang met dieren. Hoe het wel moet is nog lang niet duidelijk, maar misschien komen we een heel eind als we proberen het natuurlijke gedrag van een diersoort onder productieomstandigheden mogelijk te maken. In genetisch opzicht wijken onze huidige landbouwhuisdieren weinig af van hun wilde voorouders. Dat betekent dat ze nog vrijwel alle mogelijkheden en beperkingen bezitten die specifiek zijn voor de soort. Een koe blijft een kuddedier, varkens wroeten in de grond om naar eten te zoeken en kippen willen stofbaden.

Coping styles

Binnen een soort bestaat ook genetische variatie. Een belangrijk deel van deze variatie valt onder het begrip coping style, de wijze waarop een individu reageert op stress. Zowel bij de mens als bij het dier vormt coping style een belangrijke factor bij het individuele vatbaarheid voor stressziekten zoals hoge bloeddruk, angst en depressie. Begin jaren zeventig suggereerden Henry en Stephens dat er in het algemeen twee typen van stressreacties zijn: de vecht-vluchtreactie en de bevriesreactie.

De vecht-vluchtreactie kenmerkt zich door een goede verdediging van het territorium en vlucht in aanwezigheid van een dominant dier. De bevriesreactie is meer passief. Bij een confrontatie met een dominant dier blijven dieren stil zitten. In de vrije natuur zijn deze coping styles functioneel. Het agressieve, proactieve dier is vooral aangepast aan een stabiele omgeving terwijl het meer passieve dier het juist beter doet in een variabele omgeving.

De fysiologische stressreactie is noodzakelijk voor een succesvolle aanpassing aan stress. De stressreactie heeft echter een beperkte reikwijdte, die niet voor alle individuen gelijk is. Langdurige overschrijding van die reikwijdte leidt tot het ontstaan van stressziekten. Hoe meer de omgeving echter past bij de aanpassingsmogelijkheden van het dier, des te groter het dierenwelzijn. Een beoordeling van de mate waarin bepaalde omstandigheden het welzijn van dieren schaden dient daarom ook te berusten op een gedegen kennis van de biologie en de fysiologie van het betrokken dier onder productieomstandigheden.

In vloed van selectie op aanpassingsvermogen

Het is heel aannemelijk dat bij het proces van domesticatie slechts bepaalde typen van individuen uit de brede natuurlijke variatie zijn geselecteerd en doorgekweekt. Daarbij kan het oorspronkelijke aanpassingsvermogen sterk veranderd zijn, maar dat hoeft niet. Diverse rassen van paarden, runderen en varkens kunnen uitstekend overleven en gezond blijven onder semi-natuurlijke omstandigheden.

Bij andere rassen is het aanpassingsvermogen echter sterk gereduceerd. Dit is vooral duidelijk bij de ver doorgefokte rassen zoals het vleeskuiken of het vleesvarken. Deze dieren zijn gefokt op een zo hoog mogelijke groei en ontwikkeling van spierweefsel. Deze sterk eenzijdige ontwikkeling heeft tot gevolg dat bij een aantal dieren de longen en het hart- en vaatsysteem de ontwikkeling van het spierweefsel niet goed kunnen bijhouden. Het gevolg daarvan is dat de zuurstofvoorziening van de weefsels in het gedrang komt. Bij vleeskuikens kan dit zelfs leiden tot een vroegtijdige dood.

We leren hieruit dat deze dieren in feite kasplantjes zijn geworden met een uiterst beperkt aanpassingsvermogen. Zolang de omgeving past bij dit beperkte aanpassingsvermogen (geen stress, geen extra inspanning) zal volgens onze welzijsdefinitie ook bij deze dieren geen al te groot welzijnsprobleem bestaan.

Gevaar van vermenselijking

Milieufactoren zoals stalinrichting, verlichting, geluid, ventilatie enzovoort zijn even belangrijk als de aan- of afwezigheid van soortgenoten, de groepsgrootte of de mogelijkheid zich te verstoppen of nesten te bouwen. Bij de beoordeling van het belang van deze factoren bestaat het gevaar van antropomorf denken. Condities die goed zijn voor ons menselijk welzijn zijn niet per definitie ook goed voor dieren.

Marcel Crok
Deze tekst is met toestemming overgenomen uit Natuur & Techniek Wetenschapsmagazine (aprilnummer 2003)