Home

Ecologische relaties in de Waddenzee

De Waddenzee is een uniek natuurgebied. Als kraamkamer voor vissen en als pleisterplaats voor trekvogels speelt het wereldwijd een belangrijke schakelfunctie. Instandhouding van het Waddengebied begint met kennis van het ecosysteem. Onderzoekers van het Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee op Texel en van de onderzoeksgroep Dierecologie van de Rijksuniversiteit Groningen proberen het ingewikkelde stelsel van relaties in de wadden te ontrafelen. Een van de onderzoeken richt zich op de relatie tussen de kanoetstrandloper en zijn prooi, het nonnetje (een schelpdier).

Een kanoetstrandloper op het wad. foto: Ecomare

 

Wat maakt de Waddenzee uniek?

De Nederlandse Waddenzee is onderdeel van een groter gebied dat loopt tot en met Denemarken. Het belang van de Waddenzee voor de biodiversiteit is vergelijkbaar met een koraalrif. Door het grote voedselaanbod en de aanwezigheid van verschillende leefplekken, vervult de Waddenzee meerdere functies: van kraamkamer voor vis tot voedselgebied voor trekvogels.

Een viertal factoren maakt onze wadden uniek:

  1. Het Nederlandse Waddengebied is een van de negen grote waddengebieden in de wereld. Veel van die gebieden liggen in de tropische zone. Tropische wadden bestaan uit relatief kleine, modderige platen, terwijl de Nederlandse wadden zijn opgebouwd uit grote zandige platen. Zandige platen bieden meestal een grotere rijkdom aan voedsel (zoals schelpdieren en wormen) en zijn daarmee een ideaal fourageergebied voor scholeksters en strandlopers.
  2. In tropische wadden zijn vooral kreeftachtigen te vinden - en daar komen andere soorten vogels op af, zoals regenwulpen en plevieren. Dat de Waddenzee rijk is aan schelpdieren, staat in verband met zijn jonge leeftijd. Na het aflopen van de laatste ijstijd (zo'n 10.000 jaar geleden) hebben vogels en schelpdieren het Waddengebied snel weten te koloniseren. Het relatief koude water was echter minder geschikt voor schelpdieretende krabben en die hebben de Waddenzee dan ook (nog) niet weten te bereiken. In veel andere waddengebieden op de wereld hebben schelpdieretende krabben de overhand gekregen, ten koste van vogels.
  3. De Waddenzee is nog om een andere reden bijzonder: het gebied blijft het hele jaar door toegankelijk. De meeste waddengebieden in de gematigde zone vriezen 's winters dicht.
  4. Tenslotte heeft de Europese Waddenzee een unieke ligging voor trekvogels die op weg zijn naar overwinteringsgebieden. Daardoor kunnen ze er voedsel inslaan voor hun lange reizen.

 

Vaste waddengast: de kanoetstrandloper

De kanoetstrandloper (Calidris canutus islandica) is een marathonvlieger. Deze steltloperachtige leeft afwisselend in twee voedselgebieden. In de noordelijke toendra van Siberië, waar de vogels broeden, eten ze vooral insecten en spinnen. Het grootste deel van het jaar brengen ze door aan de kust van West-Afrika, waar ze zich voornamelijk voeden met schelpdiertjes. Siberië en West-Afrika liggen duizenden kilometers uit elkaar.

 

Zo'n vliegreis kost natuurlijk veel energie. Kanoetstrandlopers kunnen deze afstand niet in één keer overbruggen, ondanks de voorraden 'brandstof' die ze opslaan in de vorm van onderhuids vet. De Europese wadden zijn een onmisbaar tussenstation, waar de uitgeputte vogels weer op krachten komen en een nieuwe vetlaag opbouwen, voor de volgende duizenden kilometers die ze moeten afleggen.

 

Relatie tussen kanoetstrandloper en nonnetje

Biologen richten veel van hun aandacht op de speciale ecologische relatie tussen de kanoetstrandloper en het nonnetje, een tweekleppig schelpdier. Nonnetjes zijn ideale prooidieren voor de kanoetstrandloper: ze komen in onuitputtelijke hoeveelheden voor, zijn niet al te groot, hebben een schaal die relatief gemakkelijk is te kraken, en vanwege een hoog eiwitgehalte zijn ze erg voedselrijk. Het enige probleem is hoe de nonnetjes op te sporen. Ze zitten namelijk verstopt in het sediment, dus de kanoet kan ze niet zien.

 
Nonnetjes
 

Om nonnetjes op te sporen maakt de kanoet gebruik van zijn snavel. In de loop van de evolutie is dat een extreem gevoelig instrument geworden. De kanoet kan ermee 'peilen' waar de nonnetjes zitten.

 

Hoe kanoetstrandlopers met hun snavel nonnetjes opsporen

Onderzoekers ontdekten dat in kanoetsnavels veel Herbst-lichaampjes zitten - in onze vingertoppen hebben wij ze ook maar dan veel minder gevoelig. Herbst-lichaampjes zijn een soort mini-uitjes (doorsnede ééntwintigste millimeter), die elk verbonden zijn met een zenuw. Vanwege hun gelaagdheid - de schilletjes - kunnen de Herbst-lichaampjes heel nauwkeurig drukveranderingen waarnemen.

Tijdens het prikken in het zand drukt een kanoet met zijn snavel water weg dat tussen de zandkorrels gevangen zit. Dat geeft een bepaalde druk. Maar als er iets in het zand zit, een object, dan is dat voelbaar als een verandering van het drukveld. Zo kan de kanoet schelpdieren (harde objecten) opsporen in zachte bodem zonder ze te zien.

Biologen bootsten dat na in een proefopstelling. In plaats van nonnetjes verstopten zij steentjes in nat zand. Om het zo echt mogelijk te laten lijken hadden de steentjes de vorm van nonnetjes. De kanoeten pikten de steentjes feilloos uit het zand. Daarmee was bewezen dat ze nonnetjes alleen met behulp van waterdruk detecteren en niet op een andere manier. De 'stenen nonnetjes' waren namelijk volkomen reukloos en veroorzaakten geen beweging.

 

Zwakke en sterke magen

Nonnetjes zitten meestal niet al te diep ingegraven, gemiddeld vijf cm. Veel exemplaren bevinden zich dan ook binnen het bereik van kanoetsnavels. Vooral jonge - dus kleine - nonnetjes zitten ondiep. Ideaal voor kanoetstrandlopers met kleine magen. Zij kunnen alleen jonge nonnetjes kraken omdat die nog een dunne schaal hebben. Kanoeten met grotere en sterkere magen kunnen ook oudere nonnetjes met een dikke schaal aan.

Nonnetjes kruipen dieper de bodem in naarmate ze ouder worden. Diep zitten ze veilig want kanoeten kunnen er met hun snavel niet bij. Maar diep zitten heeft ook nadelen. De nonnetjes kunnen minder goed voedsel verzamelen. Dat doen ze met hun sifon: een soort slurf die door het zand prikt en de wadbodem afgraast naar voedseldeeltjes. Hoe verder zo'n slurf uit de bodem steekt, hoe groter het gebied dat hij kan bestrijken en hoe meer voedsel het nonnetje kan opnemen. Zo'n wormvormig bewegend slangetje vormt een lekker hapje voor schollen en andere bodemvissen. Van het opeten van zijn sifon gaat een nonnetje niet dood, maar hij moet wel hoger in het zand gaan zitten, anders is zijn slurf te kort om de bodem af te grazen. Zo komen ook dikke nonnetjes binnen het bereik van kanoeten met grote magen.

 

Wat nonnetjes doen om aan kanoetstrandlopers te ontkomen

Experimenten in het lab en observaties in de natuur laten zien dat nonnetjes reageren op de aanwezigheid van kanoeten. Zodra ze merken dat er kanoeten in de buurt zijn graven ze zich dieper in de bodem. De kanoeten verraden zich door hun geloop en door het geprik met hun snavels. Biologen konden zien hoe diep een nonnetje zich ingraaft door een touwtje aan het schelpdier vast te binden.

 

Hoe kanoetstrandlopers weten waar de lekkerste nonnetjes te vinden zijn

Voor kanoetstrandlopers is het van levensbelang om precies te weten waar de nonnetjes zitten die ze met hun maag kunnen kraken. Op doorreis moeten ze zich immers in korte tijd zoveel mogelijk vol eten. Alleen dan kunnen ze de benodigde brandstofvoorraad opbouwen in de vorm van onderhuids vet.

Onderzoekers ontdekten dat kanoeten op elkaar letten en via hun gedrag aan elkaar doorgeven waar de plekken zijn met kleine of juist grote nonnetjes. Hebben kanoeten dat eenmaal gezien, dan onthouden ze het ook. Ze schijnen een tamelijk goed geheugen te hebben. Als ze een volgende keer in de wadden neerstrijken weten ze precies waar ze moeten zijn om nonnetjes te vinden die passen bij hun maag.