Home

Ingenieurs van de slappe zeebodem, bouwers van slikken en schorren

In de Zeeuwse delta vinden we op veel plekken slikken en schorren. Dit zijn buitendijkse natuurgebieden die bij vloed overstromen met zeewater en die bij eb droogvallen. Slikken en schorren zijn opgebouwd uit slib en zand en bieden een leefplek voor dieren en planten.
Micro-organismen, wadpieren en planten zijn 'bio-engineers' die zelf meewerken aan het ontstaan van slikken en schorren. Hoe ze dat doen wordt onderzocht door wetenschappers van het Nederlands Instituut voor Ecologie in Yerseke. Het onderzoek is van belang voor onze kustverdediging, want bi
o-engineers zijn 'natuurlijke dijkwerkers' die meehelpen om ons land droog te houden.

Slikken en schorren in Zeeland.

 

Micro-organismen plakken slibkorrels aan elkaar tot slikplaten

 
kiezelwier (diatomee)
Kolonies kiezelwieren vormen microbiële matten

Kiezelwieren of diatomeeën zijn weliswaar klein (tussen de 10 en 100 micrometer), maar door de enorme aantallen waarmee ze zich op de zeebodem verzamelen, verrichten ze grote prestaties. Kolonies van miljarden en miljarden micro-organismen vormen levende matten die grote oppervlakken bedekken. Elk kiezelwiertje scheidt een kleverige vloeistof uit van polysaccharide (een soort suiker). Sedimentkorrels die in het water zweven blijven eraan plakken. Met hun slijm lijmen microbiële matten vele tonnen sediment aaneen tot nieuwe bodemlagen. Twee keer per dag voert de vloedstroom nieuwe slibdeeltjes aan: aan bouwstenen om te plakken dus geen gebrek. Bovenop elke sliblaag vormt zich een nieuwe plakmat die slib invangt. Laagje na laagje groeit er een slikplaat die steeds hoger wordt, tot hij zijn kop bij eb boven water uitsteekt.

kiezelwieren scheiden slijm af..
..slibkorrels blijven plakken..
..er ontstaat een sliblaagje..
   
..op het laagje komt een nieuwe mat..
..die opnieuw slib invangt..
..uiteindelijk groeit de slikplaat boven water uit

Een volgroeide slikplaat zorgt voor een geleidelijk oplopende vloedlijn. Golven worden erdoor afgeremd en slaan met minder kracht op de kust. Zonder slikken zou de zee met alle kracht op het land kunnen beuken. In feite fungeert de slikplaat als een natuurlijke dijk. Samen met kunstmatige dijken vormen ze een effectieve barrière tegen de zee. Zo kunnen eencellige wieren - hoe klein ze ook zijn - een natuurlijke bijdrage leveren aan onze kustveiligheid.

Slikken vinden we ook in de Waddenzee en daar doen ze precies hetzelfde werk als in de Zeeuwse delta. Ze heten er alleen geen slikken maar wadplaten.

 

 

Wadpieren maken slikplaten bewoonbaar en extra stevig

   

Pasgevormde slikplaten zijn levenloze hopen sediment. Aanvankelijk kunnen er alleen kiezelwieren en anaerobe bacteriën leven. Er is namelijk geen zuurstof. De bovenste sliblaag sluit de slikbodem af van de buitenwereld en dus van zuurstof, en dat terwijl alle zeeorganismen zuurstof nodig hebben om te leven, ook soorten die in de bodem leven. Om een slikplaat geschikt te maken voor bewoning is dus toevoer van zuurstof nodig en daarvoor zijn weer wadpieren onontbeerlijk, want die zorgen met hun gangen voor 'airconditioning'. 

Wadpieren zijn harige neven van de regenworm. Ze leven op zo'n vijfentwintig centimeter diepte in het sediment, onderin een J-vormige gang die ze zelf graven. Via de gang kan zuurstof uit de bovenliggende waterlagen in het slik doordringen en de weg bereiden voor nieuwe organismen, zoals mossels, kokkels, nonnetjes en andere schelpdieren. Het eerste leven in een nieuwe slikbodem vind je dan ook geconcentreerd rondom de wadpierengangen. Dat zo'n pierengang niet direct instort als er water inloopt, komt doordat de wadpier regelmatig met zijn kop tegen de gangwand beukt om hem te verstevigen. Miljoenen headbangende wadpieren verstevigen met elkaar de hele slikplaat. Door het gedreun van al die koppen gaan sedimentkorrels dichter op opeen zitten, en dat maakt slikplaat sterker. De stabiliserende werking van pierengangen is enigszins te vergelijken met die van heipalen in slappe veenbodem. Versteviging van het gangenstelsel is een essentiële aanpassing aan het leven in de zuurstofarme zeebodem. Zonder headbangen daalt de efficiëntie van de zuurstofvoorziening van de wadpier met maar liefst 40 procent.

Een headbangende wadpier
Wadpieren verraden hun aanwezigheid door het bekende pierenhoopje

De wadpier is ook in een ander opzicht een druk baasje. Ongeveer elke twee maanden passeert de hele bovenste 25 centimeter van het sediment door zijn maag. Het transport van zand en water door wadpieren zorgt ervoor dat er aan de oppervlakte van de slikplaat voortdurend nieuwe mineralen en voedingsstoffen beschikbaar komen. En daar kunnen weer tal van dieren op gedijen. Wadpieren hebben dus niet alleen een grote impact op het ecosysteem ín de slikplaat maar ook erop.

 

Planten koloniseren slikplaten waardoor ze zich ontwikkelen tot schorren

Klik op het plusje voor een grotere foto
Een zeegrasveld. foto: Ecomare
Engels slijkgras. foto: Ecomare

Als een slikplaat groeit tot hij niet meer door elke vloedstroom overstroomt, kunnen zich er planten op vestigen. Zoutminnende planten natuurlijk, die goed tegen de aanwezigheid van het voor 'gewone' planten aggressieve zeezout kunnen en dus niet uitdrogen. De eerste bewoners zijn zeegras en Engels slijkgras. Dankzij deze grassen ontwikkelt de slikplaat zich verder tot schor: een nog hogere zandplaat die vrijwel permanent droog ligt; alleen bij extreem hoog water raakt hij overstroomd.

Zeegras (Zostera marina) is een waterplant die met zijn wortels de zeebodem vasthoudt. Een zeegrasveld remt het water af, waardoor slibdeeltjes naar de bodem kunnen zinken. Dat maakt niet alleen het water helder en geschikt voor allerlei dieren, zoals visjes en garnalen, maar dankzij de neerdalende slibdeeltjes groeit de bodem ook verder omhoog.

Engels slijkgras of slikpest (Spartina townsendii) vestigt zich hogerop de slikplaat. Slijkgras houdt eveneens met zijn wortels de bodem vast, maar het doet ook nog iets extra's: het gras vangt zand in dat van de plaat opstuift en legt dat aan zijn lijzijde neer als een mini-duintje. Op die hogerliggende duintjes kunnen weer andere typen planten groeien, die ook weer zand invangen. Na verloop van tijd groeit de schor zo hoog dat hij buiten het bereik van de vloed komt te liggen. Alleen extreem hoog water of een stormzee kan de schor nu overspoelen. De geleidelijk oplopende vloedlijn en de stengels van schorrenplanten remmen het water af, waardoor de golven met minder kracht op de dijk slaan.

Schorren vinden we overigens ook in de Waddenzee en daar doen ze precies hetzelfde werk als in de Zeeuwse delta. Ze heten er alleen geen schorren maar kwelders.