Home

Motorische zenuwen, nodig om spieren te laten bewegen

Motorische zenuwen brengen opdrachten vanuit het centrale zenuwstelsel over naar alle spieren. Deze signalen vertrekken vanuit het motorische gebied in de cortex ofwel de hersenschors en zorgen ervoor dat spieren zich samentrekken als we in actie willen komen of juist verslappen als er niets hoeft te gebeuren.
De motorische cortex stuurt de willekeurige spieren aan

De motorische cortex

Spieren moeten aangestuurd worden. Ze reageren op signalen die doorgeven of ze moeten aanspannen of kunnen ontspannen. De spieren in ons lichaam zijn te verdelen in willekeurige en onwillekeurige spieren. Een willekeurige spier kunnen we bewust aanspannen of ontspannen, dit in tegenstelling tot de onwillekeurige spieren. Deze zijn betrokken zijn bij de automatische lichaamsfuncties die we juist niet bewust kunnen beïnvloeden. In dit artikel hebben we het over de willekeurige spieren.

Elke beweging of ontspanning van een willekeurige spier begint als een elektrische prikkel in het motorische gebied in de hersenen, de motorische cortex, geactiveerd door sensorische neuronen of door bewuste gedachten.

Het menselijk lichaam telt ongeveer 640 willekeurige spieren. Deze worden allemaal door de motorische cortex aangestuurd die ervoor zorgt dat spieren zich samentrekken of juist verslappen. Samentrekken van spieren zorgt voor bewegen, verslappen voor ontspannen. Hoe meer signalen er per seconde verstuurd worden hoe krachtiger de spieren zich samentrekken.

Elk lichaamsdeel heeft zijn eigen gebied op de motorische cortex en wordt van daaruit aangestuurd en ook weer gecontroleerd. Lichaamsdelen met een fijne motoriek zoals bijvoorbeeld de vingers, beslaan een groter deel van de motorische cortex dan bijvoorbeeld de romp: hoe groter het gebied op de schors hoe preciezer de aansturing kan zijn. Bij één handeling zijn vaak al heel veel spieren betrokken: om bijvoorbeeld met je hand te kunnen wuiven moeten tientallen spieren perfect samenwerken.  

 

Elk lichaamsdeel wordt vanuit de motorische cortex aangestuurd

 

De route van de motorische signalen naar de spieren

Motorische signalen vertrekken vanuit de motorische cortex en dalen via kleine hersenen, thalamus en hersenstam af naar het ruggenmerg. Dit speelt zich dus nog binnen het centrale zenuwstelsel af. Het transport gebeurt via dalende interneuronen ofwel schakelcellen. Deze schakelcellen zetten de signalen over op de motorische neuronen. Vervolgens vervoeren motorische zenuwen de signalen verder naar de spieren. Motorische zenuwen zijn de uitlopers (axonen) van de motorische neuronen en vallen onder het perifere zenuwstelsel.

De  cellichamen van motorische neuronen liggen nog binnen het centrale zenuwstelsel. Hun lange perifere axonen brengen de signalen naar de verste uithoeken van het lichaam.

De motorische cortex is verdeeld in een linker- en rechterhelft. Vlakboven het ruggenmerg kruisen de zenuwbanen elkaar. Hierdoor reageert een spier aan de rechterkant op een signaal, verstuurd door het linkerdeel van de motorische cortex en omgekeerd.



                                           

Vanaf het centrale zenuwstelsel vervoeren motorische neuronen signalen naar de spieren



Constante evaluatie

Om ervoor te zorgen dat een beweging precies verloopt zoals de bedoeling is wordt het hele proces nauwkeurig in de gaten gehouden en regelmatig bijgestuurd. Dat gebeurt in de kleine hersenen en brengt veel heen-en-weer reizen van signalen over de zenuwbanen met zich mee.
De kleine hersenen controleren onder andere de fijne, snelle en nauwkeurige motoriek.


De kleine hersenen ontvangen signalen over het 'bewegingsplan'


De kleine hersenen

De kleine hersenen ontvangen signalen van de motorische schors over het 'bewegingsplan', met andere woorden over hoe de beweging moet gaan verlopen. Tegelijkertijd geven spieren, pezen en gewrichten informatie door over de manier waarop de beweging verloopt, dus over houding, richting, kracht of snelheid. Bijvoorbeeld: welke houding heeft mijn voet of zit ik al op mijn hurken?
Microsensoren, ook wel proprioceptoren genoemd, houden namelijk op lokaal niveau in spieren, pezen en gewrichten de hele gang van zaken in de gaten. Ze koppelen de reacties op het bewegingsplan (dit noemen we proprioceptieve prikkels) terug naar de kleine hersenen. De terugkoppeling loopt via de sensorische zenuwen.
Proprioceptie (uit het Latijn) betekent zelfwaarneming. 

De kleine hersenen vergelijken opdracht en resultaat en sturen via de hersenstam en het ruggenmerg signalen naar de spieren om de spierspanning bij te stellen. Ook sturen ze via de thalamus signalen naar de motorische schors om het 'bewegingsplan' aan te passen.   
Dit heen-en-weer reizen van signalen gaat net zo lang door totdat de hele beweging soepel en gecoördineerd uitgevoerd wordt (= de fijne motoriek). Dat voorkomt dat we bijvoorbeeld bij het omslaan van een pagina deze uit het boek scheuren of dat we een glas fijnknijpen.

Met de vinger naar iemand wijzen is niet zo'n erg ingewikkelde handeling, het is een simpele oog-hand coördinatie. Toch zorgt dit al voor een drukke uitwisseling van signalen tussen verschillende delen van hersenen en ruggenmerg.
Complexere situaties waarbij meerdere zintuigen en meerdere handelingen betrokken zijn leiden tot een doorseinen van signalen langs heel wat meer routes. 
Bijvoorbeeld: je rijdt in de auto op de weg, je hoort een klap, ziet remlichten oplichten, je moet uitwijken en dan snel remmen. En dat alles in een paar seconden. Zintuigen én motorische en sensorische zenuwen moeten in dat geval in korte tijd heel wat verschillende 'soorten' informatie doorgeven die verwerkt en gecoördineerd moet worden.....iedere 'soort' op de juiste plek. En daarna moet feedback gegeven worden en tot actie worden overgegaan.



Januari 2007
Redactie Natuurinformatie Naturalis
Illustraties Bas Blankevoort