Home

Neanderthaler: eerste vondst van een oermens

In 1856 vonden arbeiders die aan het werk waren in een steile kalksteenwand in het Neanderdal bij Düsseldorf in Duitsland vreemde menselijke resten. Tijdens het leegscheppen van de Feldhofer grotte, een kleine spelonk, troffen ze in de klei een schedel met zware oogkassen aan. De inhoud van de schedel was iets groter dan die van de huidige mens. Hoewel de schedel er primitief uitzag had men beslist geen dommerik gevonden. Door de vreemde combinatie van kenmerken wist de wetenschap zich aanvankelijk niet goed raad met de vondst. Men had nooit eerder fossiele menselijke resten gevonden of herkend dus het hoeft geen verbazing te wekken dat men de schedel wegverklaarde. Hij werd in eerste instantie versleten voor een idioot of een ziek persoon. Maar al snel raakte men ervan overtuigd dat het hier ging om zeer oude menselijke overblijfselen. Neanderthalervondsten volgden zich namelijk snel op, en sommige botten werden samen met de resten van mammoeten en andere ijstijddieren gevonden. En van die dieren nam met wel een hoge ouderdom aan. Ze waren immers uitgestorven en zaten vaak diep verscholen in oude aardlagen.

Het schedelkapje van een Neandertaler, in 1856 gevonden in de buurt van Düsseldorf (Duitsland). De robuuste oogkassen zijn typerend voor deze mensachtige die leefde in de laatste IJstijd, rond 40.000 jaar geleden.

 

Discussie

De vondst van de Neanderthalerschedel deed veel stof opwaaien. Ook toen Darwin in 1859 zijn On the Origin of Species publiceerde werd de Neanderthaler schedel het middelpunt van hevige discussie. Thomas Huxley, een grote verdediger van de theorie van Darwin, kwam na uitgebreid onderzoek tot de conclusie dat de schedel niet afkomstig was van een tussenvorm tussen de aap en de mens. Hij was ervan overtuigd dat de schedel toebehoorde aan een primitief menselijk ras en dus eigenlijk een moderne mens vertegenwoordigde.

William King, een professor in de anatomie, was het hier niet mee eens. Hij beweerde dat het bij de Neanderthaler wel degelijk ging om een nieuwe soort. In 1864 beschreef hij de Neanderthaler dan ook als zelfstandige soort: Homo neanderthalensis, King 1864. Dit was het begin van een nu nog steeds voortdurende discussie of de Neanderthaler een moderne mens is, een voorloper van de moderne mens, of een aparte soort die tijdens de ijstijd naast de moderne mens voorkwam en op een gegeven moment is uitgestorven.

Al eerder gevonden, maar niet herkend

De Neanderthalervondst bij Dusseldorf was niet de eerste vondst van prehistorische menselijke resten in Europa. Al in 1829 ontdekt de Luikse arts Philippe-Charles Schmerling fossielen van de mens in grotten in de omgeving van Luik. Deze vondsten kwamen uit aardlagen waarin men ook uitgestorven dieren en stenen werktuigen vond. Ze werden echter genegeerd: ze pasten eenvoudig niet in de opvattingen van dat moment, die gestoeld waren op de bijbel. Tot het begin van de negentiende eeuw aanvaardde men in de Westerse wereld het bijbelse verslag van Gods schepping van de mens. Dit was niet alleen een kwestie van geloof in huiselijke kring. Ook wetenschappers zagen de speciale band met God als een absolute waarheid: de mens stond los van de rest van de schepping en had geen evolutie ondergaan van primitief naar modern.

Heeft er toch een overgangsvorm bestaan tussen aap en mens?

Maar nu waren daar de fossielen die onbetwistbaar aantoonden dat de mens tegelijkertijd leefde met de mammoet, de grottenbeer en andere dieren uit de laatste ijstijd. Allemaal dieren die lang geleden uitstierven. De mens moest dus veel ouder zijn dan men tot dan toe had aangenomen. Daarnaast weken de fossiele menselijke resten op veel punten af van de lichaamsbouw van de moderne mens. Populair gezegd: ze deden veel 'aapachtiger' aan. De mens moest dus een evolutie hebben doorgemaakt van 'aapachtig' naar 'menselijk'. En lang geleden moest er een overgangsvorm hebben geleefd. Gezien het grote hersenvolume was de Neanderthaler al te ver geëvolueerd om die overgangsvorm te kunnen zijn. Hij had weliswaar aapachtige kenmerken maar stond al te dicht bij de moderne mens. Maar door de vondst van de Neanderthaler kreeg de gedachte dat er ergens een Missing Link tussen aap en mens te vinden moest zijn wel een nieuwe impuls.