Home

Evolutie en evolutietheorie

Evolutie en evolutietheorie zijn twee verschillende dingen. Evolutie is het biologische verschijnsel dat levensvormen in de loop van de tijd veranderen. De evolutietheorie is de verklaring van dat verschijnsel. Beide begrippen zijn van groot belang bij de huidige beeldvorming over de mens, de natuur en het leven.

Evolutie

Alle levensvormen zijn veranderlijk. Dat geldt zowel op de†lange termijn†over miljoenen jaren als op de korte termijn, van generatie op generatie. Sinds het ontstaan van de eerste levensvormen op aarde, zo'n†drie miljard jaar geleden, zijn er talloze soorten verdwenen en zijn er ook talloze nieuwe soorten ontstaan. De historische ontwikkeling van het leven op aarde wordt uitvoerig gedocumenteerd door fossielen, en vormt het onderwerp van de paleontologie.

Redelijk goed in kaart gebracht zijn de†evolutiegeschiedenissen†van de paardachtigen, de walvisachtigen en de olifantachtigen. Ook de evolutiegeschiedenis van de mens wordt geleidelijk aan beter bekend dankzij recente fossiele vondsten in Africa, Zuid-Europa,†en andere delen van de wereld. De fossiele†vondsten spelen een belangrijke rol in de huidige beeldvorming over de mens. Ze documenteren†onze nauwe evolutionaire verwantschap met de andere primaten.

Veranderingen op korte termijn zijn ook waarneembaar. Kabeljauwen bijvoorbeeld worden tegenwoordig op jongere leeftijd geslachtsrijp dan pakweg vijftig jaar geleden. Ze zijn dan ook minder groot. Die ontwikkeling is, naar men aanneemt, een aanpassing aan de door de kabeljauwvisserij gewijzigde omstandigheden. Een ander voorbeeld van nu waarneembare evolutie is het ontstaan van nieuwe bacteriestammen die resistent zijn tegen bepaalde antibiotica. Ook het soms supersnel veranderen van virussen, zoals het aids-virus, is een evolutieproces.

Evolutietheorie

De evolutietheorie legt uit hoe het verschijnsel evolutie verloopt. Het is een overkoepelende theorie (een paradigma) die†is opgebouwd uit een aantal verschillende biologische en geologische feiten en interpretaties.

Twee belangrijke geologische uitgangspunten zijn†de hoge ouderdom van de aarde, en†de interpretatie van fossielen als resten of sporen van levensvormen die ooit werkelijk hebben geleefd.

De biologische uitgangspunten betreffen voortplanting, individuele variatie, erfelijkheid en de invloed van de leefomgeving. Evolutiebioloog Ernst Mayr heeft de denkstappen van Darwin op een rijtje gezet in het volgende redenatieschema. Het schema maakt duidelijk welke waarnemingen Darwin deed en welke conclusies hij daaruit trok.

Variatie

Het begrip variatie omvat de vele kleine verschillen die er tussen de individuele planten en dieren van alle soorten bestaan. In de pre-darwiniaanse biologie werd variatie gezien als een onbelangrijke bijkomstigheid. Soms zag men variatie†ook als degeneratie ten opzichte van het ideale type of van het oorspronkelijk perfect geschapen type. Systematici bijvoorbeeld ervaarden variatie als een storende factor bij hun classificatiewerkzaamheden. Darwins opvatting over variatie staat lijnrecht tegenover die van de traditionele (typologische) biologie. In zijn visie, en die van de moderne biologie, is variatie van groot belang als het aangrijpingspunt voor natuurlijke selectie.

Domesticatie

Natuurlijke selectie is het kardinale punt van de evolutietheorie. In zijn betoog beschrijft Darwin domesticatie van planten en dieren als een selectieproces verricht door de mens. Fokkers en telers veredelen continu gedomesticeerde planten en dieren door gerichte teeltkeus.†Ze verbeteren ze volgens menselijke utilistische maatstaven, door doelgericht te selecteren op gewenste kenmerken en eigenschappen. Snellere of sterkere paarden worden verkregen door continu de variatie aan kenmerken en eigenschappen van de dieren vanaf de geboorte in het oog te houden en snel met snel te laten paren, en sterk met sterk. Daarbij gaat het vaak om zulke subtiele variaties dat ze alleen te zien zijn voor het geoefende oog van de fokkers.

Natuurlijke selectieprocessen

In de vrije natuur vinden er eveneens selectieprocessen plaats, en wel op grote schaal. De meeste organismen produceren nakomelingen in overmaat, en meestal, zeker als er geslachtelijke voortplanting in het spel is, lijkt niet ťťn nakomeling precies op de ander. Als gevolg van telkens andere veranderingen in de ecologische parameters (fysische parameters zoals temperatuur en luchtvochtigheid, geologische parameters zoals hoogte en bodemgesteldheid, organische factoren zoals de aanwezigheid van andere planten en dieren) zullen telkens andere variaties in het voordeel of in het nadeel werken van de organismen. Toeval en noodzakelijkheid regeren het leven. Op den duur, zo beargumenteert Darwin, kunnen op deze manier heel nieuwe soorten ontstaan. Daarmee is het mysterie van de biodiversiteit opgelost.