Home

De Australopithecus-fase (ongeveer 1,5 tot 4,5 miljoen jaar geleden.)

Australopithecus betekent 'zuidelijke aap' omdat de eerste vondsten zijn gedaan in het zuiden van Afrika.

Zes miljoen jaar geleden ontstonden in Afrika savannes. De mensapen, die met hun lange armen en korte benen prima in bomen konden klimmen, konden zich aanpassen aan de nieuw ontstane grasvlaktes. Er kwamen nieuwe mogelijkheden voor opportunistische mensapen, die aan de rand van het oerwoud leefden. Ze waagden zich steeds meer op de open vlakte. Geleidelijk werden hun armen korter en hun benen langer, zodat ze beter de grote afstanden over de savannes konden afleggen.†In nieuwe leefgebieden†kwamen ze†in aanraking met ander†voedsel. Overal waar de apen kwamen, raakten zij aangepast aan de omgeving en zo ontstonden er verschillende, nieuwe Australopithecus-achtigen.

Hoewel Australopithecus-soorten veelal op twee benen liepen, en de inhoud van hun hersenen groter was dan die van hun voorgangers (zie Pre-Australopithecus-fase), hadden ze nog steeds het lichaam en de handen van een aap en konden ze nog goed in bomen klimmen, bijvoorbeeld om te vluchten voor een roofdier.

Of de Australopithecus habilis bij deze groep hoort, is nog steeds niet duidelijk. Veel paleoantropologen plaatsen hem†in de Homo erectus-fase, omdat hij goed gebruik kon maken van gereedschap.

Australopithecus anamensis (4,2 tot 3,9 miljoen jaar geleden)

A. anamensis was een aapachtige van ongeveer 47-55 kilo en liep al op twee voeten. Hij had mensachtige tanden. Zijn leefgebied bestond waarschijnlijk uit vlakke velden met hier en daar struiken en bossen.

Australopithecus afarensis (3,8-2,9 miljoen jaar geleden)

A. afarensis was een aapmens met het formaat van een huidige chimpansee (45-30 kilo). De mannetjes waren groter en zwaarder dan de vrouwtjes, wat een belangrijk kenmerk is voor mensachtigen. Het herseninhoud was ook vergelijkbaar met dat van een chimpanzee. A. afarensis had lange armen, waarmee hij goed in bomen kon klimmen, maar hij liep rechtop.

Australopithecus africanus (3,0 tot 2,0 miljoen jaar geleden)

A. africanus was een mensachtige met dezelfde grootte als†een chimpansee. Zijn gewicht wordt geschat op 30-41 kilo. Er is verschil in grootte tussen de mannetjes en vrouwtjes, en het hoofd van A. africanus is een stuk platter dan dat van zijn voorouders, A. afarensis. Hij kon goed rechtop lopen, maar was ook een bekwaam klimmer. Hij had een hersenvolume van gemiddeld 457†ml(vergelijkbaar met dat van een chimpansee, moderne mensen hebben een hersenvolume van gemiddeld 1.350 ml).

Australopithecus bahrelghazali (3,5-3,0 miljoen jaar geleden)

Van A. bahrelghazali is alleen een onderkaak gevonden. De tanden in de kaak stonden nog erg naar voren toe, wat een aapachtig kenmerk is.

Australopithecus garhi (2,5 miljoen jaar geleden)

De tanden van A. garhi stonden nog erg naar voren toe, wat hem veel op een chimpansee liet lijken. Ook de herseninhoud was even groot als die van een chimpansee (450 cm2)en hij woog ongeveer 40 kilo.

Australopithecus habilis (2,5-1,5 miljoen jaar geleden)

A. habilis (door sommige onderzoekers Homo habilis genoemd) had een groot hersenvolume (510 tot 640 ml) en men neemt aan dat hij werktuigen gebruikte. Zijn gezicht stak minder ver vooruit dan bij de meeste Australopithecus-soorten en zijn tanden waren kleiner. Mogelijk beheerste†A. habilis een primitieve vorm van taal. Om deze redenen willen vele paleoanthropologen A. habilis bij de Homo erectus-soorten indelen. Zijn armen waren echter erg lang en hij kon daarmee waarschijnlijk ook goed in bomen klimmen.

Kenyanthropus platyops (3,5-3,3miljoen jaar geleden)

Van K. platyops werd slechts een gebroken schedel gevonden, maar het hersenvolume lag waarschijnlijk tussen de 450 en 510 ml, een stuk groter dan de herseninhoud van zijn tijdgenoot, A. afarensis. Hij had wel een opvallend plat gezicht.

Kenyanthropus rudolfensis (2,5-1,8 miljoen jaar geleden)

K. rudolfensis had kenmerken die horen bij de meeste Australopithecus-soorten, maar ook kenmerken die bij de Homo-soorten worden gevonden. Zo had hij een platte schedel, met een groot hersenvolume van 785 ml, maar hij had ook grote, vooruitstekende tanden. Sommige paleoantropologen denken dat hij kon praten.

Paranthropus aethiopicus (2,7-2.3 miljoen jaar geleden)

Alle leden van Paranthropus hadden een dikke, robuuste schedel met een platte kam op hun hoofd. Aan de kam zaten sterke kaakspieren vast waarmee hij met veel kracht kon kauwen. P. aethiopicus bezat ook kenmerken van de Australopithecus-soorten. Zo had hij een vooruitstekend gezicht en grote, vooruitstekende tanden.

Paranthropus robustus (1,8-1,5 miljoen jaar geleden)

P. robustus had grote, krachtige kaken en de kam op zijn schedel die kenmerkend is voor de Paranthropus-soorten. Met zijn kaken vermaalde hij waarschijnlijk plantaardig materiaal. Daarnaast had hij een groter hersenvolume dan de Australopithecus-soorten, namelijk gemiddeld 520 ml.

Paranthropus boisei (2,3-1,3 miljoen jaar geleden)

P. boisei had de krachtigste kaken van alle mensachtigen. Ook hij had een platte kam op zijn hoofd. Zijn hersenvolume was iets groter dan dat van P. robustus (500-530 ml) , maar hij had dan ook een groter lichaam. Zijn lichaamslengte zat waarschijnlijk tussen de 124 en 137 cm en hij woog ongeveer 34 a 49 kilo, waarbij de mannetjes groter en zwaarder waren dan de vrouwtjes.