Home

Soorten kiezen

Onder de zoogdieren komen allerlei kiesvormen voor. Kiezen die goed planten kunnen malen bijvoorbeeld, of kiezen die geschikt zijn om vlees in stukken te snijden. En zo zijn er meer typen te onderscheiden die in dit artikel worden beschreven.
Bij de indeling in typen wordt naast de vorm gekeken naar het aantal punten (conen) en plaats waar die op de kroon te vinden zijn. Onderstaande tekeningen zijn zo gemaakt dat de rechterkant van de kies naar de neus van het dier wijst.

  De evolutionaire voorganger van alle typen kiezen is de tribosphenische kies. Deze driehoekige kies bestaat uit een protocone, een paracone en een metacone. Doordat boven- en onderkaakskiezen goed op elkaar aansluiten kunnen ze zowel knippen als malen. Uit de tribosphenische kies zijn verschillende kiesspecialisaties ontstaan, zoals de scheurkiezen en de maalkiezen. 
  De dilambdodonte kies lijkt nog het meeste op de tribosphenishe kies. Kenmerkend is de W-vorm. De drie punten van de W zijn naar de wang gericht; de tegenover liggende twee punten naar de tong. De verschillende benamingen van de punten zijn in het figuur terug te vinden. Dit type kies komt onder andere voor bij mollen en spitsmuizen.
  De bunodonte, knobbelvormige kies heeft een ruw vierkant uiterlijk met op het kauwvlak lage ronde punten. Dieren met dit type kiezen zijn alleseters. Met behulp van de knobbels kan het voedsel zowel vermalen als gesneden worden. Onder andere de mens, beren en varkens hebben bunodonte kiezen.
 

Bij selenodonte maalkiezen zijn de vier punten verbreed, waardoor het kauwoppervlak groter is geworden. Het toppunt van deze evolutie zijn de kiezen van de graseters waar de emailrichels complex zijn opgevouwen. Op iedere lob van de selenodonte kies is een cone te vinden. De kiezen van herten en runderen zijn selenodont.

 

De lophodonte en loxodonte kiezen hebben harde emailrichels die ook wel lophen worden genoemd. Ze geven de kies een gestreept uiterlijk. De richels zorgen ervoor dat het maaloppervlak, en daarmee de maalfunctie, wordt vergroot. De molaren van knaagdieren zijn lophodont. Extreem lophodontisme is te zien bij olifanten en de familie van de woelmuizen. Bij deze dieren lijkt de kies op een ouderwets wasbord, wat ook wel  loxodont wordt genoemd.

  Vleeseters hebben vier grote scheurkiezen met een mesachtige vorm: twee in de bovenkaak (de vierde premolaren) en twee in de onderkaak (de eerste molaren). Ze vormen samen het zogenaamde scheurkiezencomplex. Met behulp van deze kiezen is het mogelijk om vlees in stukken te knippen, voordat het verder in het maag-darmstelsel wordt verwerkt. Onder andere hond- en katachtigen hebben dit type kiezen.

Meer over selenodonte en lophodonte kiezen

Kiezen van het selenodonte en lophodonte type kunnen hoogkronig of laagkronig zijn.
Dieren die van harde vegetatie leven hebben hoogkronige of hypsodonte kiezen. Zo veroorzaakt het eten van gras slijtage aan het gebit, omdat de sprietjes kiezelzuurhoudend zijn. Hoogkronige kiezen hebben extra tandmateriaal om dit verlies op te vangen. Het reservemateriaal zit onder het tandvlees in de kaak en in de extra hoge kroon. De kiezen van onder andere runderen en paarden zijn hoogkronig.
Brachydonte of laagkronige kiezen kom je tegen bij dieren die zich meer met zachte vegetatie, zoals bladeren, voeden. Extra tandmateriaal is niet nodig, omdat het gebit nauwelijks slijt. De kiezen steken niet ver boven het tandvlees uit. Onder andere herten hebben laagkronige kiezen.

terug naar uitleg over de tand