Home

Trekken

Trekken is kracht uitoefenen om iets naar jezelf toe te bewegen. Het is een veelvoorkomende beweging: we trekken deuren open, trekken aan de handrem in de auto, we trekken onze kleren aan, enzovoort. Het kan hierbij gaan om een lichte trekbeweging (bijvoorbeeld het openen van een deur) tot een hele zware (bijvoorbeeld het wegtrekken van een zware container of bij touwtrekken). De spierkracht die nodig is, is dan ook onder andere afhankelijk van het gewicht dat getrokken moet worden.
De trekbeweging
De lichaamshouding tijdens†een (zware)†trekbeweging

Kenmerkend voor de meeste trekbewegingen is de buiging van de arm. Door de arm te buigen, kunnen we iets naar ons toehalen. De meest bekende spier waarmee we de arm kunnen buigen is de biceps, maar ook de opperarmspier kan de arm buigen. Beide spieren werken als een hefboom in de arm met het ellebooggewricht als draaipunt.

Biceps
Het buigen van de arm doe je onder andere met je biceps.

Ook zijn er spieren nodig om de arm naar het lichaam toe te bewegen. Welke spieren dat voornamelijk zijn, is afhankelijk van de richting waarin getrokken wordt. Als je bijvoorbeeld iets naar beneden trekt, zal de brede rugspier aangespannen worden. Wanneer je iets omhoog trekt (bijvoorbeeld een boodschappentas), zal voornamelijk de monnikskapspier worden aangespannen.

Als we zwaardere dingen trekken, gebruiken we vaak ons hele lichaam. Door te gaan hangen aan het voorwerp, kunnen we naast spierkracht ook ons lichaamsgewicht gebruiken (het gewicht in de strijd gooien) door achterover te gaan hangen. Dit is bijvoorbeeld bij touwtrekkers heel goed te zien.

Wat ook extra belangrijk is bij het zwaardere trekwerk, is de weerstand tussen de hand en het voorwerp waaraan getrokken wordt. De menselijke hand heeft hier een goede aanpassing voor: de lijnpatronen†in onze handpalmen (dermatoglyphen) die ook gebruikt worden†voor vingerafdrukken. Dit is een aanpassing aan het leven in bomen (grip op takken) die niet alleen in onze handpalmen terug te vinden is, maar op onze voetzolen.††

T
Touwtrekkers gebruiken hun lichaamsgewicht om harder te kunnen trekken.

Bij deze manier van trekken spelen de benen een heel belangrijke functie. De benen zijn in staat veel grotere krachten te leveren dan de armen en zijn daarom beter geschikt voor het zware trekwerk. De armen doen meer dienst als verbinding tussen het lichaam en wat getrokken moet worden, de benen leveren voornamelijk de kracht. Dit doen ze voornamelijk door de knie en de heup te strekken. Twee belangrijke spieren hierbij zijn de vierkoppige dijbeenspier en de grote bilspier. Natuurlijk zijn er nog allerlei andere spieren nodig om het lichaam te stabiliseren (te voorkomen dat je omvalt).

De kracht die de benen leveren moet natuurlijk wel overgebracht worden op de grond. Hierbij is een goede weerstand tussen de voeten en de ondergrond essentieel. Wanneer de weerstand erg laag is (bijvoorbeeld met schaatsen op ijs), kun je bijna geen kracht zetten bij het trekken. Als de weerstand daarentegen hoog is (bijvoorbeeld bergschoenen op hard zand), kan de kracht goed overgebracht worden en ben je in staat om zware dingen te trekken.

Een ander belangrijk aspect van het trekken is de greep, de manier waarop we iets vastpakken. Door onze goede handfunctie, kunnen we dingen op veel verschillende manieren vastpakken. Hierdoor zijn we in staat om iets kleins als een†muntje op te pakken, maar ook hele grote dingen. De manier waarop we iets vastpakken is onder andere afhankelijk van vorm van het voorwerp (een pen pakken we anders vast dan een handvat), de grootte van het voorwerp†en de kracht waarmee iets vastgepakt moet worden.

X
Verschillende grepen die met de menselijke hand mogelijk zijn: cylindrische greep (linksboven), precisiegrepen (rechtsboven en rechtsonder) en de†haakgreep (linksonder). Let op de belangrijke functie die de duim vervult.

Een belangrijke functie bij het vastpakken van voorwerpen wordt vervuld door de duim. De duim kan tegenover de andere vingers geplaatst worden: hij is opponeerbaar. Hierdoor kunnen we†veel dingen†goed omsluiten met de duim aan de ene kant en de rest van de vingers aan de anderen kant.

Doordat de duim tegenover de andere vingers geplaatst kan worden, kunnen we goed voorwerpen omsluiten.
Doordat de duim (donker geel) tegenover de andere vingers (licht geel) geplaatst kan worden, kunnen we goed voorwerpen omsluiten.