Home

Rennen

Mensen zijn uitstekende renners. Hoewel we het wat de maximumsnelheid betreft afleggen tegen heel veel andere dieren, zijn we verrassend goed in het†rennen van lange afstanden. Er zijn zelfs goede redenen om aan te nemen dat het menselijk lichaam in de loop van de evolutie speciaal is aangepast op het rennen, in plaats van het lopen. Dat we deze capaciteiten tegenwoordig weinig meer benutten, heeft voornamelijk te maken met onze maatschappij. In plaats van te rennen hebben we allerlei hulpmiddelen uitgevonden waarmee we ons voortbewegen (fiets, auto, motor, trein enz.) en brengen we grote delen van de dag zittend door (op school, op het werk of thuis).

De afzet, de zweeffase en de landing tijden het rennen.
De afzet, de zweeffase en de landing tijden het rennen.

Misschien wel het meest opvallende verschil tussen lopen en rennen is de snelheid. De gemiddelde loopsnelheid is ongeveer 5 km/h, terwijl de gemiddelde rensnelheid bij atleten ligt op ongeveer 14,5 km/h. Maximumsnelheden kunnen bij de absolute topatleten zelfs oplopen tot bijna 40 km/h! Mensen houden dit maar een paar seconden vol, terwijl bijvoorbeeld paarden maximumsnelheden kunnen halen tussen 50 en 70 km/h en dit minuten lang kunnen volhouden.

Behalve snelheid, zijn er nog meer verschillen. Tijdens het lopen is er een fase waarin beide voeten op de grond staan, wat de bipedale fase wordt genoemd. Bij het rennen ontbreekt deze bipedale fase, maar is er wel een zweeffase aanwezig, de fase waarin beide voeten van de grond zijn. Dit is te zien in bovenstaand figuur.

Cyclus

Net als het lopen, bestaat het rennen uit een cyclus: hetzelfde patroon wordt steeds herhaald. Het standbeen wordt krachtig afgezet, terwijl het andere been naar voren beweegt; beide benen zijn in de lucht (zweeffase), het volgende landingsbeen wordt vlak voor de landing gestrekt en buigt tijdens de landing door (inveren), om vervolgens weer te strekken voor de volgende afzet.

Dit inveren bij het neerkomen is ook een verschil tussen lopen en rennen. Tijdens het lopen beweegt het lichaam over een gestrekt standbeen heen. Tijdens het rennen veert het standbeen juist behoorlijk in. Tijdens dit inveren doen verscheidene pezen en gewrichtsbanden dienst als veer. Bij het neerkomen wordt er energie in de pezen en gewrichtsbanden opgeslagen, die tijdens de afzet weer vrijkomt. †

Tijdens het rennen zijn de uitslagen in de gewrichten van de knie en enkel groter dan bij het lopen, maar in het heupgewricht is het juist omgekeerd. Ook in de rest van het lichaam vinden grotere bewegingsuitslagen plaats. De armen bewegen bijvoorbeeld verder naar voren en naar achteren. Ook draaien de romp en het hoofd meer, om het draaien van het bekken als gevolg van het rennen te compenseren. Tot slot hangt tijdens het rennen het bovenlichaam meer naar voren en zijn sterke rug- en bilspieren nodig om te voorkomen dat we voorover vallen. Vergelijk onderstaande twee afbeeldingen eens voor de verschillen in houding tussen lopen en rennen.

Tijdens het rennen helt het lichaam meer naar voren dan tijdens het lopen.
Tijdens het rennen helt het lichaam meer naar voren dan tijdens het lopen.

Het is niet†vreemd dat rennen meer spierkracht kost dan lopen, er vinden immers grotere en krachtiger bewegingen plaats.†De grote bilspier is een echte renspier, die vooral betrokken is bij de afzet. Na de afzet moet het been opgetrokken worden, waar voornamelijk de hamstrings bij betrokken zijn. Bij het neerkomen is de vierkoppige dijbeenspier erg actief omdat hij moet voorkomen dat het been te ver doorbuigt (inveert). Bij de afzet van de voet zijn, net als bij het lopen, de kuitspieren actief, alleen moeten ze bij het rennen grotere krachten leveren.

Ook zijn er verschillen in pasgrootte en pasfrequentie tussen lopen en rennen.†Als iemand rent, maakt hij grotere passen en ligt het aantal passen per minuut hoger. Naarmate iemand sneller gaat rennen, zit aan de pasgrootte eerder een maximum dan aan het aantal passen per minuut. Op een gegeven moment laten de gewrichten het gewoon niet toe om nog grotere passen te maken, maar ze zijn wel in staat tot verhoging van de frequentie van de loopcyclus: het maken van vele kleine pasjes, waarmee evengoed een hoge snelheid is te behalen.