Home

Voet

De†voet bestaat meestal uit 26 botjes: 7 voetwortelbeenderen, 5 middenvoetsbeentjes en 14 teenkootjes. Het voetskelet vertoont grote overeenkomsten met het handskelet. Deze botten zijn via een hele hoop gewrichten met elkaar verbonden. Desondanks is de voet veel minder bewegelijk dan de hand. Op de voetrug zit slechts ťťn spier, in de voetzool veel meer. Via het enkelgewricht is het onderbeen met de voet verbonden. De voet is zowel in de lengte als in de breedte gewelfd.

In tegenstelling tot de hand, heeft de voet in de loop van de evolutie zijn grijpfunctie verloren, hoewel de huidlijnen in de voet (net als in de hand, vingerafdrukken) ons daar nog aan doen herinneren. Hierdoor zou je naast een vingerafruk ook een 'teenafdruk' kunnen maken! De voet is veel steviger dan de hand en aangepast om de grote krachten die het lichaam veroorzaakt te kunnen verdragen. Hij is aangepast om (rechtop) mee te kunnen lopen en te rennen. De grote teen is niet meer opponeerbaar zoals de duim, hij kan niet tegenover de andere tenen geplaatst worden.


De voetwortelbeenderen

In tegenstelling tot de acht wortelbeenderen in de hand heeft de voet er maar zeven, de voetwortelbeenderen (ossa tarsalia). Via het sprongbeen (talus, soms astragalus genoemd) is de voet verbonden met het onderbeen. Het sprongbeen rust op het hielbeen (calcaneus), dat de hak van de voet vormt. Voor de het sprongbeen en hielbeen liggen nog 5 botjes: het scheepvormig been (os naviculare), het teerlingbeen (os cuboideum) en drie wigvormige beentjes (ossa cuneiformia).

Het voetskelet vanaf de bovenkant gezien. Het hielbeen is niet zichtbaar.
Het voetskelet vanaf de bovenkant gezien. Het hielbeen is niet zichtbaar.

De middenvoetsbeentjes

De middenvoetsbeentjes (ossa metatarsalia) zijn net als de handwortelbeetjes genummerd: het binnenste beentje is de eerste, de buitenste is de vijfde. Het eerste is relatief dik en kort, de andere vier zijn relatief dunner en langer. Aan het begin van het vijfde middenvoetsbeentje zit een knobbel, die aan de buitenkant van de voetrand goed voelbaar is. De kopjes van de middenvoetsbeentjes vormen de bal van de voet.†


De teenkootjes

In de tenen (digiti pedis) bestaan uit drie teenkootjes (phalanges), alleen de grote teen (en soms de kleine teen ook) heeft er maar twee. De overeenkomst met de hand is hier ook weer duidelijk. De tenen zijn alleen veel minder goed onderling te bewegen dan de vingers en de grote teen is niet opponeerbaar zoals de duim. De tenen zijn, net als de vingers, genummerd: de grote teen is de eerste, de kleine teen de laatste.


De twee spronggewrichten

Er zijn twee spronggewrichten, het bovenste en het onderste. Het bovenste spronggewricht (articulatio talocruralis), beter bekend als het enkelgewricht vormt de verbinding tussen het scheenbeen en kuitbeen in het onderbeen en het sprongbeen in de voet. De kop is het gewrichtsvlak van het sprongbeen, de kom wordt gevormd door de uiteinden van het scheenbeen en kuitbeen. In het bovenste spronggewricht is het buigen en strekken (heffen) van de voet mogelijk.

Het onderste spronggewricht (articulatio talocalcaneonavicularis) is de verbinding tussen het sprongbeen, het hielbeen en het scheepvormig been. In dit gewricht is het naar binnen en buiten draaien van de voet mogelijk.

Beide spronggewrichten worden goed bij elkaar gehouden door gewrichtsbanden. Toch komt letsel vrij vaak voor. De meest bekende hiervan is het geforceerd naar binnen draaien van de voet (inversietrauma), wat veel voorkomt tijdens het sporten. In tegenstelling tot wat vaak gedacht, wordt zit dit probleem in het onderste spronggewricht, niet in het bovenste (de enkel).

Door deze geforceerde beweging kunnen de gewrichtsbanden uitrekken, wat verstuiking of verzwikking (distorsie) wordt genoemd. Wanneer de kracht op de banden nog groter is, kunnen ze scheuren. Er is dan sprake van een ruptuur of laesie. Hoewel het woord enkelverstuiking dus eigenlijk onjuist is, wordt het vaak gebruikt.


Spieren in de voet

In tegenstelling tot de handrug, ligt er op de voetrug wel een spier, de korte voetstrekspier (musculus extensor digitorum brevis). De andere voetstrekspieren liggen aan de voorkant van het onderbeen en zijn via lange pezen met de verschillende voetbotjes verbonden. Deze pezen zijn vaak goed te zien wanneer de tenen gestrekt worden.

In de voetzool ligt onder de dikke huidlaag (veel eelt), vetlaag en bindweefsellaag een aantal spieren, vergelijkbaar met die in de handpalm. Het zijn voornamelijk spieren om de grote en kleine teen mee te bewegen. In de voetzool liggen ook de pezen van buigers van de tenen die de spierbuik in het onderbeen hebben.

Naast het buigen en strekken van de tenen is het ook nog mogelijk om de tenen naar elkaar toe en van elkaar af te bewegen. Dit gebeurt met spieren die tussen de middenvoetsbeentje liggen.