Home

Zoeken

Zoek in 4603 artikelen


    Onderbeen

    In het onderbeen zitten twee botten en drie groepen spieren. Via het kniegewricht is het onderbeen verbonden met het bovenbeen. De twee botten van het onderbeen zijn, in tegenstelling tot de botten uit de onderarm, niet in staat om om elkaar heen te draaien. Het scheenbeen en het kuitbeen lopen min of meer parallel aan elkaar, waarbij het scheenbeen aan de binnenkant ligt en het kuitbeen aan de buitenkant. Tussen de twee botten is een membraam gespannen dat als aanhechtingsplaats voor spieren dient. Het onderbeen is te zien als een steunpilaar waarin zelf weinig†beweging mogelijk is.

    Het scheenbeen

    Het scheenbeen (tibia) is het grootste bot van de twee en is voornamelijk de drager van het gewicht van bijna het hele lichaam. Het brede bovenste deel van het scheenbeen wordt het tibiaplateau genoemd en is de kom van het kniegewricht. Aan de voor-bovenkant van het bot zit een benige verhevenheid (tuberositas tibiae) die de aanhechtingplaats vormt voor de pees van de vierkoppige dijbeenspier (via de kniepees). De voorste rand van het scheenbeen ligt vlak onder de huid, waardoor†deze plek†erg gevoelig is voor stoten. Wie heeft er nooit een pijnlijke schop tegen zijn schenen gehad?

    Het einde van het scheenbeen staat in verbinding met het sprongbeen. Aan de binnenkant van het scheenbeen zit de binnenste enkelknobbel (malleolus medialis), die het bovenste spronggewricht aan de binnenzijde afschermt.


    Het kuitbeen

    Het kuitbeen (fibula) is een stuk slanker dan het scheenbeen en maakt geen deel uit van het kniegewricht. Dit bot vormt voornamelijk de oorsprong en aanhechting voor veel spieren. Aan de bovenkant van het kuitbeen zit de kop (caput fibulae), aan de onderkant zit de buitenste enkelknobbel (malleolus lateralis), die het bovenste spronggewricht aan de buitenzijde afschermt.

    Het scheenbeen en kuitbeen vanaf de voorkant gezien.
    Het scheenbeen en kuitbeen vanaf de voorkant gezien.

    Het kniegewricht

    Het kniegewricht (articulatio genus) vormt de verbinding tussen het bovenbeen en onderbeen. De condyli femoris (gewrichtsvlakken) vormen de kop, het tibiaplateau vormt de kom van het gewricht. Door middel van gewrichtsbanden (ligamenten) wordt het gewricht bij elkaar gehouden.

    De twee belangrijkste groepen hiervan zijn de collaterale kniebanden en de kruisbanden. De collaterale kniebanden lopen aan beide zijkanten van het gewricht, de een van het dijbeen naar het scheenbeen, de ander van het dijbeen naar het kuitbeen. De twee sterke kruisbanden (ligamenta cruciata) liggen in het kniegewricht, tussen de twee menisci. De collaterale banden spelen een belangrijke rol bij†de links-rechtse stabiliteit, de kruisbanden bij de voor-achterwaartse stabiliteit.

    In de pees van de vierkoppige dijbeenspier zit een sesambeen, de knieschijf (patella). Dit driehoekig botje maakt contact met de gewrichtsvlakken van het dijbeen en beweegt tijdens het buigen en strekken van de knie, waarmee het kniegewricht tevens beschermd wordt. Ook komt door de knieschijft de pees van de vierkoppige dijbeenspier verder van het draaipunt in de knie af te liggen, waardoor de hefboomwerking van de spier verbeterd wordt. Bij een ontspannen, gestrekt been†kun je de knieschijf heen en weer bewegen met je handen.†

    Tussen de gewrichtsvlakken van het dijbeen en het scheenbeen bevinden zich twee halve-ringvormige kraakbeenschijven, de menisci (meniscus in enkelvoud). In het midden raken de gewrichtsvlakken elkaar, langs de rand wordt de tussenliggende ruimte opgevuld door de menisci. De menisci vergroten de contactoppervlakken van het gewricht en helpen daarmee bij in het overdragen van de krachten. De kraakbeenschijven zijn bewegelijk en vervormbaar, afhankelijk van de stand van het gewricht.

    Een bekend knieprobleem is de voetbalknie: de knie zit op slot. Dit ontstaat meestal doordat het onderbeen gedraaid en tegelijkertijd gebogen of gestrekt wordt. De meniscus kan dan scheuren en het losgescheurde deel kan tussen de gewrichtsvlakken komen, met een geblokkeerde knie tot gevolg. Tijdens een kijkoperatie (artroscopie) wordt het afgescheurde stukje verwijderd.†††

    De knie vanaf de voorkant gezien, de knieschijf is naar voren weggeklapt.
    Het†kniegewricht vanaf de voorkant gezien. De knieschijf is naar voren weggeklapt.

    Het kniegewricht vanaf de achterkant gezien.
    Het kniegewricht vanaf de achterkant gezien.

    Spieren in het onderbeen

    De spieren in het onderbeen kunnen opgedeeld worden in drie groepen: de buigers van de voet, de strekkers van de voet en zijwaartsheffers van de voet.

    De eerste groep bestaat uit twee forse spieren en een soms aanwezig klein spiertje en wordt gezamenlijk de driekoppige kuitspier genoemd (musculus triceps surae). Hoewel de drie spieren hun oorsprong op verschillende plaatsen hebben, eindigen ze in een gemeenschappelijke eindpees: de achillespees, die aanhecht op de hak. De achillespees dankt zijn naam aan Achilles, een held uit de Griekse mythologie. Volgens de mythe hield zijn moeder hem vast aan zijn hiel†(achillespees) toen ze hem onderdompelde in een rivier om hem onkwestbaar te maken. Doordat hij aan zijn hiel werd vastgehouden, bleef hij alleen op die plaats kwestbaar. Toen hij daar geraakt werd, raakte hij dodelijk gewond. Bij zware belasting kan de achillespees scheuren, waardoor de verbinding tussen de kuitspier en de voet verbroken wordt. Een achillespeesscheuring is pijnlijk en moet†vaak operatief worden hersteld.

    De achterste van de grote kuitspieren is de kuitspier (musculus gastrocnemius) en heeft een spierbuik die meestal aan de achterkant goed te zien is. Grotendeels onder de kuitspier ligt de scholspier (musculus soleus), die zowel qua gewicht als doorsnede groter is dan de kuitspier. Tot slot zit er soms nog een klein spiertje (musculus plantaris) in de kuit, die juist bij in bomen levende apen goed ontwikkeld is. Dit spiertje is bij ons een rudiment uit ons evolutionair verleden.

    De andere spiergroep ligt aan de voorkant van het onderbeen en maakt het mogelijk om de voet te strekken (heffen). Deze spiergroep bestaat uit drie spieren die aan het scheenbeen en kuitbeen ontspringen en naar de voet lopen.

    De laatste spiergroep (musculi peronei) ligt aan de buitenkant van het onderbeen en lopen van de kop van het kuitbeen naar de voet. Beide spieren uit deze groep kunnen de voet buigen en zijwaarts heffen.

    De spieren van het onderbeen vanaf de buitenkant gezien.