Home

Onderarm

De onderarm bestaat uit twee botten en een groot aantal spieren, waarvan alleen de spiergroepen besproken zullen worden. Via het ellebooggewricht is de onderarm verbonden met de bovenarm.

De twee botten van de onderarm zijn het spaakbeen en de ellepijp. Ze liggen naast elkaar en zijn licht gekromd. Het spaakbeen ligt aan de kant van de duim, de ellepijp aan de kant van de pink. Zowel aan de bovenkant (bij het ellebooggewricht) als aan de onderkant (bij het polsgewricht) zijn ze met elkaar verbonden via een gewricht, waardoor het spaakbeen om de ellepijp kan draaien. Deze draaibeweging wordt, afhankelijk van de richting, pronatie of supinatie genoemd.

Pronatie: richt je handpalmen naar voren en draai ze vervolgens naar achteren. Terwijl je dit doet, draait†het spaakbeen†kruislings over de ellepijp.
Supinatie: richt de rug van je handen naar voren en draai je handpalmen open zodat ze naar voren gaan wijzen en de rug van je handen naar achteren. Het spaakbeen draait en komt parallel aan de ellepijp te liggen.


Het spaakbeen

Het spaakbeen (radius) is bij het ellebooggewricht slank en heeft een relatief kleine verbinding met het opperarmbeen. Zo'n†twee centimeter onder de kop zit een ruwe verhevenheid, die de aanhechting vormt voor de pees van de biceps. Bij het polsgewricht is het spaakbeen juist fors en vormt daar het grootste deel van de verbinding met de handwortelbeenderen.


De ellepijp

De ellepijp (ulna) is bij het ellebooggewricht juist fors en heeft daar een breed en plat haakvormig uitsteeksel: het ellepijpshoofd (olecranon). Het ellepijpshoofd vormt een hefboom waarop de triceps aanhecht. Aan de kant van het polsgewricht is de ellepijp juist slank,†en staat daar niet in verbinding met de handwortelbeentjes†waardoor het geen†deel uitmaakt van het polsgewricht.

Het spaakbeen en de ellepijp van achteren (links) en van voren (rechts) gezien.
Spaakbeen en ellepijp van achteren (links) en van voren (rechts) gezien.

Het ellebooggewricht
Het ellebooggewricht (articulatio cubiti) is de verbinding tussen enerzijds het opperarmbeen en anderzijds het spaakbeen en de ellepijp. In het ellebooggewricht kan de arm worden gebogen en gestrekt. Eveneens vindt het proneren en supineren van de onderarm deels plaats in de elleboog.

Spieren in de onderarm
De spieren in de onderarm kunnen grofweg worden ingedeeld in twee groepen: de buigers en de strekkers van de pols en vingers. Deze spieren hebben vaak lange pezen in peesscheden die onder banden doorlopen. De buigers liggen aan de voorkant van de onderarm (de kant van de handpalm), de strekkers aan de achterkant (de kant van de handrug).

Van de buigers zijn de oppervlakkig gelegen spieren goed te voelen, vooral de pezen. Soms zijn ze zelfs te zien als ze aangespannen zijn.

Ook van de strekkers zijn de oppervlakkig gelegen spieren vaak goed te voelen. Soms zijn de aangespannen spieren zelfs te zien, vooral bovenaan de onderarm (bij het ellebooggewricht).

Naast de buigers en de strekkers zijn er ook nog spieren die voor pronatie en supinatie (draaiing van het spaakbeen om de ellepijp) kunnen zorgen.

De spieren van de onderarm.
De spieren van de onderarm (de gele lijntjes zijn zenuwen, de rode bloedvaten).