Home

Bovenbeen

In het bovenbeen zit, net als in de bovenarm, slechts één bot. De spieren in het been kunnen naar hun werking grofweg verdeeld worden in vier groepen: spieren die het been naar voren, naar achteren, van het lichaam af en naar het lichaam toe bewegen. Via het heupgewricht maakt het bovenbeen verbinding met het bekken.

 

Het dijbeen

Het enige bot in het bovenbeen is het dijbeen (femur) dat het grootste bot uit het lichaam is. Het bovenste deel van het dijbeen bestaat uit de kop (caput femoris) die de kop vormt van het heupgewricht. Via de dijbeenhals (collum femoris) is de kop verbonden met het lichaam van het dijbeen (corpus femoris), wat de schacht van het bot is. Op de plaats waar de hals overgaat in het lichaam zit zowel aan de buitenkant als de binnenkant een knobbel die de aanhechting vorm voor spieren (respectievelijk de trochanter major en trochanter minor).

De hals maakt gemiddeld een hoek van 125º graden met het lichaam van het dijbeen, waardoor de benen recht onder het lichaam geplaatst kunnen worden. Door deze schuine stand van de hals komen er grote krachten op te staan, waardoor hij gevoeliger voor breuken is dan het dijbeenlichaam.

Op het lichaam zit verder nog een aantal benige richels die de aanhechtingplaatsen voor spieren vormen. Het onderste deel van het dijbeen bestaat uit de gewrichtsvlakken (condyli femoris) die de kop van het kniegewricht vormen.

Het dijbeen vanaf de achterkant (links) en de voorkant (rechts) gezien.
Het dijbeen vanaf de achterkant (links) en de voorkant (rechts) gezien.

Het heupgewricht

Het heupgewricht (articulatio coxae) is de verbinding tussen de kop van het dijbeen en de kom van het heupbeen. De twee botten worden bij elkaar gehouden door vier zeer sterke gewrichtsbanden (ligamenten) en een groot aantal spieren. Het heupgewricht is minder beweeglijk dan het lijkt, in het heupgewricht kun je je been slechts zo'n 15º á 20º naar achteren bewegen. De schijnbare grotere bewegelijkheid komt doordat andere lichaamsdelen, vooral het bekken, meebewegen.

Door bepaalde aandoeningen als arthrose of artritis kan het nodig zijn om de natuurlijke heup te vervangen door een kunstmatige heup (totale heupprothese). Tijdens zo'n operatie wordt de gewrichtskom vervangen door een door een kom bekleed met metaal of kunststof, de kop van het dijbeen wordt vervangen door een metalen steel met een kopje van metaal of porselein.

Een heupprothese
Een totale heupprothese (bron)

Artrose (arthrosis deformans), in de volksmond ook wel gewrichtsslijtage genoemd, is een aandoening aan het kraakbeen van gewrichten. Het komt relatief vaak voor in het heupgewricht. Dat de naam gewrichtsslijtage onterecht is, blijkt uit het vele onderzoek dat heeft uitgewezen dat artrose juist ontstaat op de plaatsen waar het kraakbeen niet of nauwelijks belast wordt. Daarnaast zijn er nog meerdere factoren die een rol spelen bij het krijgen van artrose.


Spieren in het bovenbeen

De spieren in het bovenbeen kunnen naar hun functie grofweg in vier groepen ingedeeld worden.

De grote spier aan de voorkant van het dijbeen is de vierkoppige dijbeenspier (musculus quadriceps femoris). Deze spier bestaat eigenlijk uit vier afzonderlijkje spieren waarvan de gezamenlijke eindpees over de knieschijf loopt en vlak daaronder op het scheenbeen aanhecht. Slechts één van deze spieren komt van het bekken en kan het been dus naar voren bewegen. De drie andere spieren komen van het dijbeen en kunnen alleen de knie strekken. De heup-lendenspier is ook een belangrijke spier waarmee het been naar voren bewogen kan worden, maar deze spier wordt elders besproken. Een andere spier de zowel de heup kan buigen en de knie kan strekken is de kleermakersspier (muscuslus sartorius).

De spieren aan de voorkant van het bovenbeen.

Aan de achterkant van het dijbeen liggen drie spieren die gezamenlijk bekend zijn als de hamstrings. In de anatomie heten ze de ischiocrurale spieren, een naam die slaat op hun oorsprong aan het bekken (het uitsteeksel spina ischiadica) en hun aanhechting op het onderbeen (cruris). Hoewel hun oorsprong dus gezamenlijk is, hecht één van de drie ( de musculus biceps femoris) aan op het kuitbeen en de andere twee (de musculus semitendinosus en musculus semimembranosus) op het scheenbeen. Alle drie de spieren hebben dezelfde functie: het been naar achteren bewegen en de knie buigen.

De twee andere spiergroepen bestaan uit spieren die het been van het lichaam af (in de anatomie abductie genoemd) en naar het lichaam toe (in de anatomie adductie genoemd) bewegen. De eerste groep wordt naar hun functie de abductoren genoemd en ligt aan de buitenkant van het been. De laatste groep wordt naar hun functie de adductoren genoemd en ligt aan de binnenkant van het been. 

De spieren aan de achterkant van het bovenbeen.