Home

Bekken

Het bekken (pelvis) bestaat uit twee grote botten die aan de voorkant verbonden zijn via de schaamvoeg. Aan de achterkant zijn ze met elkaar verbonden via het heiligbeen dat uitloopt in het staartbeen. Ook lopen er spieren van het bekken naar de borstkas, de wervelkolom en de benen. Via het bekken zijn de benen met de wervelkolom verbonden.


Aan de vorm van het bekken is over het algemeen makkelijk te zien of een skelet van een man of een vrouw is. Een vrouwelijk bekken is breder, lager en wijder dan dat van een man. Ook is de hoek tussen beide darmbeenderen groter. Bij mannen is de bekkeningang hartvormig, bij vrouwen ovaal. Dit zijn allemaal verschillen die te verklaren zijn doordat vrouwen kinderen (met relatief grote hoofden) moeten dragen en baren.

Het bekken heeft enigszins een zandlopervorm: het bovenste deel wordt het grote bekken genoemd, het onderste deel het kleine bekken. In het kleine bekken bevinden zich de bekkenorganen (o.a. de geslachtsorganen, de endeldarm en de blaas); het grote bekken vormt de ondergrens van de buikholte.


De heupbeenderen


De twee heupbeenderen (ossa coxae) bestaan uit drie botdelen die bij jonge kinderen nog met kraakbeen met elkaar verbonden zijn, maar op latere leeftijd vergroeien. De drie botdelen zijn rondom de heupkom (acetabulum) aangelegd. Deze heupkom heeft de vorm van een hoefijzer en vormt de kom van het heupgewricht waar de kop van het dijbeen in past.

Het bekken vanaf de voorkant gezien
Het bekken vanaf de voorkant gezien.

Het bekken vanaf de bovenkant gezien.
Het bekken (mannelijk exemplaar) vanaf de bovenkant gezien.

Het darmbeen (os ilii of os ilium) is het grootste bot en heeft aan de bovenkant een benige richel die vaak goed te voelen is: de bekkenkam (crista iliaca). Aan het voorste uiteinde van deze kam zit een uitsteeksel (spina iliaca anterior superior) dat ook vaak goed te voelen is. Met zijn grote oppervlak vormt het darmbeen de aanhechtingsplaats voor veel spieren, waaronder de bilspieren. Aan de achterkant zijn de beide darmbeenderen verbonden met het heiligbeen. Deze verbinding tussen het heiligbeen (os sacrum) en darmbeen (os ilii) wordt daarom het sacro-iliacaalgewricht (kortweg si-gewricht) genoemd. Doordat het si-gewricht stevig bij elkaar wordt gehouden door gewrichtsbanden, is er weinig beweging mogelijk. Van dit gewricht ondervinden veel mensen klachten.

Het zitbeen (os ischii of os ichium) is het botdeel aan de onder-achterkant van het bekken. Aan de onder-achterkant van het zitbeen zit de zitbeenknobbel (tuber ischiadicum) die vaak goed te voelen is door het vet en de spieren van de bil heen. Een ander uitsteeksel (spina ischiadica) zit aan de achterkant en vormt onder andere de aanhechting voor de hamstrings.

Het schaambeen (os pubis) zit aan de onder-voorkant en omsluit samen met het zitbeen een gat: het foramen obturatum. De beide schaambeenderen zijn met elkaar verbonden via de schaamvoeg (symphysis pubica) waardoor enige beweging mogelijk is.

Het bekken vanaf de zijkant gezien.
Het bekken vanaf de zijkant gezien.

Spieren van het bekken


In de bekkenbodem (diaphragma pelvis) zitten verscheidene spieren en gewrichtsbanden die de ingewanden dragen. Er zitten doorgangen in voor de urinebuis en de endeldarm en bij de vrouw ook voor de vagina. Er zitten twee spieren in de bekkenbodem: de staartbeenspier (musculus coccygeus) en de heffer van de anus (musculus levator ani).

Een andere grote spier is de heup-lendenspier (musculus iliopsoas), die is samengesteld uit twee spieren die samenkomen. De spier komt van de lendenwervels en het darmbeen en hecht aan op de boven-voorkant van het dijbeen. Hierdoor kan hij het been naar voren bewegen, maar ook voorkomen dat de romp naar achteren valt (als je staand achterover leunt).

Aan de achterkant van het bekken hebben de bilspieren hun oorsprong. De grootste en meest bekende hiervan is de grote bilspier (musculus gluteus maximus). Deze spier zorgt, samen met vet (bij vrouwen meer dan bij mannen), voor de ronding van de billen. Met deze krachtige spier kun je je been achteruit bewegen, het is dan ook een belangrijke spier bij het rennen. Onder de grote bilspier liggen nog twee kleinere bilspieren. Met deze twee kun je voornamelijk je been opzij bewegen en draaien.