Home

Lopen

Lopen is een manier van voortbewegen die bij alle dieren met poten in meer of mindere mate voorkomt. De romp is vrij van de grond en wordt door de ledematen gedragen en voortbewogen.

Het lopen onderscheidt zich van andere gangen door onder andere de volgorde waarin de ledematen bewogen worden. Wanneer bijvoorbeeld een paard het linker voorbeen naar voren beweegt, gaat het rechterachterbeen mee. Bij mensen, de enige zoogdieren die rechtop lopen op twee benen, werkt dit ook zo: als het rechterbeen naar voren gaat, gaat de linkerarm mee.

Bij de menselijk loopbeweging bewegen de armen diagonaal t.o.v. de benen.
Bij de menselijke loopbeweging bewegen de armen diagonaal t.o.v. de benen: wanneer het rechterbeen naar voren gaat, gaat de linkerarm mee.

Wij mensen zijn de enige bipedale zoogdieren, d.w.z. die op twee benen lopen. Hier is ons lichaam dan ook volledig op aangepast. Wij hebben allerlei anatomische eigenschappen die dit mogelijk maken. De belangrijkste zijn:

  • een schedel die recht op de wervelkolom staat
  • een S-vormige wervelkolom, die als een veer schokken opvangt
  • smalle heupen
  • recht onder het lichaam geplaatste benen, opgebouwd uit rechte botten
  • smalle voeten die een goede afwikkeling van de stap mogelijk maken, dankzij een verlengde hiel, een goed ontwikkelde 'bal' en een verkorte grote teen

Loopcyclus

Het lopen is een cyclus, een herhaling van een bepaald patroon. Eén been komt vrij van de grond, wordt naar voren bewogen en weer neergezet; even staan beide benen op de grond, het andere been komt los van de grond en beweegt door de lucht weer naar voren. Dit patroon wordt constant herhaald als wij lopen, gelukkig zonder dat we er bij na hoeven te denken. Nadat we het als klein kind eenmaal aangeleerd hebben, gaat het verder automatisch.

Omdat wij slechts op twee benen lopen, hebben we een relatief klein steunvlak (het roze gebied in onderstaand figuur). Binnen dit steunvlak moet het zwaartepunt van het lichaam blijven, anders zouden we omvallen. Wanneer we op één been staan is het steunvlak nog kleiner en moet het lichaamszwaartepunt slecht boven één voet geplaatst worden. Hoe kleiner het steunvlak, hoe belangrijker en moeilijker het is om een goede balans te houden.

fgfgfg
Het steunvlak van een dier dat op vier benen loopt (links) is groot, dat van ons (midden) een heel stuk kleiner, helemaal wanneer we op één been staan (rechts).
Om goed te kunnen voortbewegen, zijn draaipunten (bewegingen in gewrichten) nodig en natuurlijk spieren die als 'motor' werken om die bewegingen uit te voeren.

Het hele lichaam werkt mee om in balans te blijven tijdens het lopen. Vooral wanneer er op één been gestaan wordt, moet het lichaam goed uitgebalanceerd worden boven die ene voet, anders zou je omvallen. Hiervoor maak je bewegingen in allerlei gewrichten en gebruik je spieren in je hele lichaam, letterlijk van kop tot teen.

Hoewel ook de armen bewogen worden tijdens het lopen, zit de belangrijkste beweging in het bekken en natuurlijk de benen. Om het lichaamszwaartepunt steeds boven het been waarop je staat te houden, moet je knikken in je heup. Om te voorkomen dat je doorzakt, spannen de spieren aan de buitenkant van je heup (de abductoren) aan. Ook vindt er draaiing in de heupgewrichten plaats wanneer de benen naar voren en naar achteren bewogen worden. Bij het naar voren bewegen van het been, speelt de heup-lendenspier een belangrijke rol. De grote bilspier is licht aangespannen wanneer de romp naar voren wordt bewogen.

In het been vinden opvallendere bewegingen plaats. Om het been in het heupgewricht naar voren te laten bewegen, wordt naast de heup-lendenspier ook de vierkoppige dijbeenspier gebruikt. Deze spier speelt ook een belangrijke rol wanneer de knie gestrekt wordt en moet het buigen (doorzakken) in de knie onder invloed van de zwaartekracht voorkomen. De hamstrings voorkomen dat het been tijdens het zwaaien te ver doorschiet.

In het onderbeen spelen de buigers en strekkers van de voet een belangrijke rol. Wanneer de hak van de voet de grond raakt, moeten de voetstrekkers (heffers) aanspannen om te voorkomen dat de voet meteen doorslaat. Wanneer dit niet gebeurt (bijvoorbeeld doordat de zenuw die deze spieren aanstuurt niet werkt), klapt de voet bij de hiellanding door. Dit wordt een klapvoet genoemd.

fdfd
De onderbeenspieren op verschillende momenten tijdens het lopen. Bij de landing zijn vooraal de spieren aan de voorkant van het been sectief, bij de afzet juist die aan de achterkant
De buigers spelen juist een belangrijke rol bij het afzetten van de voet. Ze werken als een hefboom met het enkelgewricht als draaipunt. Doordat de krachtige kuitspieren de hak omhoog trekken, wordt het voorste deel van de voet naar beneden getrokken en de voet afgezet.

De
De kuitspieren werken samen met het enkelgewricht als een hefboom bij de afzet van de voet.
Omdat er grote verschillen tussen mensen bestaan, zitten er ook grote verschillen tussen de manieren waarop mensen lopen. Zo is de pasgrootte voornamelijk afhankelijk van de beenlengte. Een groot persoon zal dus gemiddeld grotere passen maken dan en klein persoon. Ook is de pasfrequentie verschillend, de een maakt meer passen per minuut dan de ander. De snelheid waarmee iemand loopt, kan dan ook erg verschillen tussen mensen. Iedereen heeft zijn eigen voorkeur bij een bepaalde snelheid, de snelheid die de minste energie kost. Daarnaast kan de één wijdbeens lopen terwijl de ander zijn voeten bijna voor elkaar plaatst.