Home

Mond

De mond is de ingang van het spijsverteringskanaal. Het is†de plaats†waar eten†ons lichaam binnenkomt en waar de eerste stap van de†voedselverwerking plaatsvindt. In de mond wordt voedsel door middel van kauwen klein gemaakt zodat het gemakkelijker†is door te slikken en koolhydraten worden er afgebroken tot suikers.

Functie

De mond is een uit†verschillende onderdelen opgebouwde flexibele holte waarin voedsel na elke hap die we nemen wordt fijngekauwd. Bij het kauwproces werken alle onderdelen van de mond samen: lippen, kaken en gebit, verhemelte, tong en speekselklieren.†Kauwen maakt het voedsel†fijn†en soepel zodat we het beter kunnen doorslikken.†Tijdens het kauwen vermengt het voedsel zich met†speeksel, dat een begin maakt met de afbraak van voedingsstoffen in het voedsel.

Werking

Tijdens het nemen van een hap snijden de snijtanden, de hoektanden†en - bij grote happen - ook de voorste kiezen een deel van het voedsel af. Snijtanden hebben een scherp en beitelvormig snijvlak waarmee we stukken van bijvoorbeeld een boterham of een appel kunnen afhappen. Voor het afbijten van vlees en ander taai voedsel komen met name onze hoektanden in actie. Met hun puntvorm dringen ze gemakkelijk in vlees door en scheuren dit kapot.

Onze lippen verlenen ondersteunende diensten bij het happen: ze houden voedsel vast en helpen mee om lange stukken (spaghetti!) naar binnen te werken. Zodra een hap eten in†onze mond terecht is gekomen bewegen we onze kaken op een neer en ook heen en weer met de krachtige spieren†die aan†onze kaken vastzitten. De kauwbeweging en de draaiende beweging van de tong zorgen ervoor dat het voedsel achterin de mond terecht komt, tussen de knobbelvormige maalkiezen. Tussen deze kiezen wordt het voedsel steeds verder geplet en fijngemalen.

Tong

De smaak van voedsel proef je met je tong. Deze bevat drie soorten smaakpapillen. Vroeger dacht men dat zoet, zuur, bitter en zout ieder op een bepaalde plaats van de tong werden waargenomen, maar dit blijkt toch niet het geval.†
Of iets lekker is wordt door de smaak van het voedsel bepaald. Vies eten is vaak bedorven. Als smaakpapillen een vieze smaak proeven wordt het eten vaak uitgespuugd. Smaakpappillen op de tong beschermen het lichaam dus tegen ziek worden.


Intussen scheiden speciale klieren in de wangen speeksel af dat zich met het voedsel vermengt. Speeksel maakt de voedselbrij niet alleen vochtig en soepel maar breekt ook sommige voedingsstoffen af die erin zitten. Die afbraak gebeurt door het in speeksel opgeloste enzym amylase. Amylase is in staat om de uiteinden van lange koolhydraatmoleculen af te knippen, zodat gemakkelijk verteerbare enkelvoudige en meervoudige suikers overblijven. Amylase uit speeksel blijft werken totdat het voedsel in de maag terecht komt. Daar zijn de omstandigheden zo zuur dat amylase zijn werking verliest. Amylase uit speeksel draagt daarom slechts beperkt bij aan de totale koolhydraatafbraak van voedsel. De meeste koolhydraatafbraak vindt verderop in het spijsverteringssysteem plaats, in de twaalfvingerige darm, waar opnieuw amylase aan de voedselbrij wordt toegevoegd.

speeksel

Speekselklieren liggen op verschillende plaatsen rond de mondholte. Per dag produceren ze ongeveer anderhalve liter vocht. Er zijn drie paar speelselklieren. Het grootste paar ligt voor elk oor, het tweede onder de tong, en ten slotte zijn er nog kleine speekselkliertjes die net onder de slijmvliezen liggen, verdeeld over de hele mondholte. De hoofdbestanddelen van speeksel zijn water, slijm en het enzym amylase. Als je droog en koolhydraatrijk voedsel eet (aardappelen), wordt vooral waterig speeksel aangemaakt met veel amylase dat de koolhydraten afbreekt. Eet je taaie biefstuk dan wordt er meer slijmerig speeksel aangemaakt om het soepel te krijgen.

Het aantal kauwbewegingen dat nodig is om voedsel fijn en†vochtig genoeg te maken zodat het kan worden doorgeslikt hangt van af van het type voedsel. Droog en hard voedsel moet langer worden gekauwd dan zacht en vochtig voedsel. Na gemiddeld tien kauwbewegingen is de voedselbrij voldoende soepel†om te†worden doorgeslikt. Te kort kauwen is niet goed, want dan is het voedsel nog te groot en te droog en is de kans groot dat je je verslikt.

Overgang naar de slokdarm

Bewegingen van de tong tegen het gehemelte zorgen ervoor dat het voedsel naar achteren geduwd wordt, richting de keel. Achterin de keel zit de huig, een†poortje tussen de mond en de slokdarm. De huig heeft als taak om voedsel tegen te houden dat geen toegang mag krijgen tot de slokdarm, bijvoorbeeld omdat het te groot of te droog is. Door meer te kauwen kunnen we het voedsel kleiner en zachter maken zodat de huig het wel doorlaat.

huig

Tijdens het slikken sluit de huig de neusholte af. Zo kan voedsel niet in de neusholte terecht komen. Andere belangrijke elementen bij het slikken zijn het strottenhoofd en het strotklepje. Het strottenhoofd beweegt tijdens het slikken omhoog en naar voren, waardoor het strotklepje de luchtpijp afsluit. Zo kan er geen eten in de luchtpijp komen en de ademhaling verstoren.

Wanneer voedsel bedorven is of scherpe stukjes (botsplinters) bevat, zal de huig een reflex geven waardoor we het voedsel automatisch uitspugen. Er vindt bij de huig dus een beslissingsmoment plaats. Het voedsel wordt ůf doorgeslikt, ůf verder bewerkt in de mond, ůf uitgespuugd. Een hap voedsel wordt niet in een keer doorgeslikt maar met kleine beetjes per keer. Die kleine beetjes komen als voedselbrokken in het volgende station van het spijsverteringssysteem terecht: de slokdarm.