Amerikaanse boormossel |


buitenkant
binnenkant
Nederlandse naam
Amerikaanse boormossel.
Wetenschappelijke naam
Petricola pholadiformis (Lamarck, 1818).
Behoort tot de
Tweekleppigen (Bivalvia).
Belangrijkste kenmerken
Een vrij stevige, langwerpige schelp met de top ver uit het midden. Op het oppervlak zitten ribben die vanuit de top naar de rand lopen en kruisen met de groeilijnen. De ribben onder de top hebben kleine uitsteeksels. Aan de binnenkant zit onder de top een buisvormig uitsteeksel. Deze schelp heeft geen omgeslagen bovenrand.
Grootte
Tot 8 cm lang en 3,5 cm hoog.
Kleur
Wit of gelig. Oudere exemplaren zijn vaak bruingeel verkleurd.
Voorkomen in Nederland
De Amerikaanse boormossel is langs de hele Nederlandse kust te vinden in aangespoeld hout en veen.
Voorkomen in de tijd
Komt oorspronkelijk uit Amerika en is rond 1890 met oesters mee in Europa terechtgekomen. In Nederland is de Amerikaanse boormossel voor het eerst rond 1905 waargenomen.
Leefomgeving
Amerikaanse boormossels leven in zelfgeboorde gaten in bijvoorbeeld veenplaten en wrakhout, soms in klei of mosselbanken.
Vergelijkbare soorten
Lijkt op de witte boormossel. Deze heeft echter een omgeslagen schelprand.
Naamgeving
De naam verwijst naar het herkomstgebied (Amerika) en het gedrag: de Amerikaanse boormossel leeft ingeboord in hout of veen.
Weetjes
Een ingegraven Amerikaanse boormossel houdt contact met de oppervlakte door de boorgang met zand af te sluiten en daarbij twee smalle kanaaltjes vrij te laten. Daar worden de sipho's door gestoken. De diameter van een booringang bedraagt 4 à 5 mm.
Referenties
|
Nederlandse naamlijst van de weekdieren (Mollusca) van Nederland en België
|
|||||||
| Veldgids Schelpen
Bruyne, R.H. de, 2004. KNNV Uitgeverij; Jeugdbondsuitgeverij. |
|||||||
|
Gids van kust en strand: flora en fauna
|
|||||||
|
Schelpen en andere zeedieren. Zoeken, verzamelen en benoemen
|
|||||||
|
Het Zeepaard
|




