Brakwaterkokkel |

buitenkant
binnenkant
Nederlandse naam
Brakwaterkokkel.
Wetenschappelijke naam
Cerastoderma lamarcki (Reeve, 1844).
Behoort tot de
Tweekleppigen (Bivalvia).
Belangrijkste kenmerken
Een vrij stevige schelp - dunner dan de kokkel en langwerpiger van vorm. De achterkant is verlengd en de top ligt iets uit het midden. De schelp heeft maximaal 28 radiale ribben die boller zijn dan bij de Kokkel. De groeven ertussen zijn smaller dan de ribben zelf. Aan de binnenkant lopen de groeven bijna tot aan de top door.
Grootte
Tot 5 cm breed en 4 cm hoog.
Kleur
Geelwit of bruin.
Voorkomen in Nederland
Komt in brak water voor in Zuid-Holland, Zeeland en op de Waddeneilanden. Langs het strand spoelen oude kleppen regelmatig aan.
Leefomgeving
Brakwaterkokkels leven in rustig water, vooral achter de dijken of in zee ingegraven in het zand, tot tientallen meters diep.
Vergelijkbare soorten
De brakwaterkokkel kan verward worden met de kokkel. De brakwaterkokkel heeft een veel kortere slotband. Dit is alleen bij verse exemplaren goed te zien. Ook lopen de groeven binnenin bij de brakwaterkokkel verder door. Bij oude exemplaren is het onderscheid tussen beide soorten moeilijk.
Naamgeving
De naam verwijst naar het leefgebied: brak water.
Referenties
|
Nederlandse naamlijst van de weekdieren (Mollusca) van Nederland en België
|
|||||||
| Veldgids Schelpen
Bruyne, R.H. de, 2004. KNNV Uitgeverij; Jeugdbondsuitgeverij. |
|||||||
|
Gids van kust en strand: flora en fauna
|
|||||||
|
Schelpen en andere zeedieren. Zoeken, verzamelen en benoemen
|
|||||||
|
Het Zeepaard
|




