Trapgeveltje |

binnenkant en buitenkant
Nederlandse naam
Trapgeveltje.
Wetenschappelijke naam
Oenopota turricula (Montagu, 1803).
Behoort tot de
Slakken (Gastropoda).
Belangrijkste kenmerken
Slakkenhuisje vrij stevig, met 6-7 trapsgewijs afgezette windingen. De smalle, langwerpige mondopening loopt uit in een recht siphokanaal. Het oppervlak van de schelp heeft duidelijke verticale ribben met ertussen fijne horizontale lijntjes.
Grootte
Tot 2 cm hoog en 1 cm breed.
Kleur
Witgeel. Lege huisjes die op het strand aanspoelen zijn vaak blauwgrijs of bruin verkleurd.
Voorkomen in Nederland
Inheems in diepere delen van de Noordzee. Lege huisjes spoelen regelmatig aan. Plaatselijk is de soort algemeen, zoals aan de kust van de Waddeneilanden en van Cadzand.
Voorkomen in de tijd
Komt van oorsprong in Nederland voor.
Leefomgeving
Trapgeveltjes leven op zandbodems, op twintig tot enkele honderden meters diepte.
Naamgeving
De naam is afgeleid van de trapgevels die veel zeventiende-eeuwse grachtenpanden sieren.
Vergelijkbare soorten
De hoge trapgevel, een aan het trapgeveltje verwante soort, spoelt af en toe aan op de Waddeneilanden en in Zeeland. De schelp is echter veel slanker dan die van het trapgeveltje en heeft minder duidelijk afgezette windingen.
Referenties
|
Nederlandse naamlijst van de weekdieren (Mollusca) van Nederland en België
|
|||||||
| Veldgids Schelpen
Bruyne, R.H. de, 2004. KNNV Uitgeverij; Jeugdbondsuitgeverij. |
|||||||
|
Gids van kust en strand: flora en fauna
|
|||||||
|
Schelpen en andere zeedieren. Zoeken, verzamelen en benoemen
|
|||||||
|
Het Zeepaard
|
|||||||




