Home

Bebouwing

Beton, steen en asfalt bepalen het aanzien van de stad. De stad is immers de biotoop van de mens en die moet er kunnen wonen, werken, winkelen en zich kunnen verplaatsen. Toch is de stedelijke omgeving niet overal even dicht bebouwd en zonder groen. In Nederlandse steden onderscheidt men vier typen bebouwde ruimte: stenen ruimte, hoogbouw, de tuinstad en volkstuinen.

 

Stenen ruimte

Compact gebouwde stad, met muren, straten en steegjes, daken, geveltuinen en binnentuinen.

Geveltuinen in Leiden.

In binnensteden is doorgaans weinig tot geen open groene ruimte aanwezig. Toch is er volop leven te vinden, bijvoorbeeld tussen de straatstenen. Grassen, mossen en kruiden, zoals het herderstasje, doen het prima in de voegen tussen de klinkers. Als de lucht schoon genoeg is en er geen chemische bestrijdingsmiddelen worden gebruikt, raken de stenen ook zelf bedekt door leven, vooral door korstmossen.

Stadsbewoners kunnen ook zelf de komst van groen bevorderen. Je hoeft maar een stoeptegel voor je huis weg te halen of de open plek wordt binnen de kortste keren ingenomen door grassen, klaprozen, paardenbloemen of andere planten. Een dergelijke 'geveltuin' kun je natuurlijk ook zelf invullen, door er een stokroos in te planten, een druivenrank neer te zetten of zonnebloemen te kweken.

 

Hoogbouw

Wijken met veel hoogbouw en platte daken. Groene ruimte in de vorm van gazons, bomen en plantsoenen tussen de hoogbouw.

Platte daken van flats zijn de 'rotsen' van de stadsnatuur. Meeuwen vinden er een ideale gelegenheid om hun nest te maken. Dankzij de hoge ligging zijn de nesten veilig voor katten en de meeuwen hebben een goed uitkijkpunt om de omgeving in de gaten te houden, bijvoorbeeld om te zien waar op de grond voedsel is te halen.

 

Tuinstad

Stedelijke bebouwing met veel groene ruimte in de vorm van tuinen en gemeentelijk groen. Belangrijk voor stadsnatuur.

Tuinen vormen een leefplek voor tal van diersoorten. Omdat elke tuin anders is, vindt elke soort wel iets van zijn gading.

Nette tuinen met geurige bloemenborders zijn ideaal voor vlinders, hommels en bijen. Ze vinden er nectar en stuifmeel in overvloed en vallen goed op als ze een partner willen lokken.

Tuinen met veel bomen en struiken vormen een geschikte biotoop voor bosvogels als de winterkoning, het roodborstje, de koolmees en de merel. De merel is een goed voorbeeld van een bosvogel die zich aan het leven in de stad heeft aangepast. Hij behoudt een bepaalde schuwheid en blijft het liefst in de buurt van bomen en struiken om in te vluchten als de kat des huizes verschijnt.

Slordige tuinen, met veel takken en bladeren op de grond, zijn vaak het domein van een andere bosbewoner: de egel. Egels zoeken beschutting tussen houtblokken, afgevallen bladeren en ander tuinafval en worden pas in de schemering actief. Ze kunnen de tuinbezitter nuttige diensten bewijzen bij het in toom houden van de slakkenpopulatie in de tuin.

 

Volkstuinen

Volkstuinen liggen meestal langs de randen van de stad. Er is meer groen dan bebouwing te vinden. Voor wilde dieren zijn volkstuinen vaak een springplank om in de stad terecht te komen.

Waar geen snelwegen of andere barrieres de stad van de omringende natuur scheiden kun je in volkstuinen soms konijnen, vossen, bunzings en wezels tegenkomen. Zo zijn in de buitenwijken van Amsterdam inmiddels al vossen doorgedrongen.