Home

De rol van biodiversiteit in de natuur

Het leven op aarde bestaat uit een groot aantal verschillende levensvormen. Deze verschillende levensvormen zijn van elkaar afhankelijk voor hun overleving. Dieren zijn bijvoorbeeld afhankelijk van prooidieren en/of planten voor hun dagelijks eten.
Individuele verschillen helpen soorten te overleven en het voorkomen van verschillende soorten is nodig voor het in stand houden van de ecosystemen.


Individuele verschillen zijn noodzakelijk voor het voortbestaan van soorten

Een soort bestaat uit een groot aantal individuen. Die individuen zien er uiterlijk min of meer hetzelfde uit, maar allemaal toch ook net ietsje anders. Sommige goudvinken hebben bijvoorbeeld een ietsje dikkere snavel dan hun soortgenoten. In een jaar waarin er veel harde zaden zijn en weinig zachte, zijn de vinken met een dikkere snavel in het voordeel. Behalve de zachte zaden kunnen ze ook de harde zaden kraken. Voor de vinken met een kleine snavel is er minder voedsel beschikbaar waardoor zij eerder zullen verhongeren en sterven. Diksnavelige vinken kunnen beter overleven en hun eigenschappen doorgeven aan hun nakomelingen. De verschillen binnen de soort zorgen er dus voor dat de soort kan inspelen op veranderingen in de omgeving en dat zo de soort kan voortbestaan.

Elke individu heeft zijn eigen specifieke eigenschappen.
Elk individu heeft zijn eigen specifieke eigenschappen. Sommige eigenschappen zijn gunstig voor het overleven van de soort en kunnen vaak aan de nakomelingen overgedragen worden.

Ecosystemen en biodiversiteit 

Voor het goed functioneren van een ecosysteem is biodiversiteit nodig. Biodiversiteit helpt ook met het in stand houden van ecosystemen. Elke soort die in een ecosysteem leeft is belangrijk voor de handhaving van het evenwicht in dat ecosysteem. Verschillende planteneters (prooidieren) en vleeseters (roofdieren) houden bijvoorbeeld de aantallen van elkaar in evenwicht. In elk ecosysteem is er dus altijd een bepaalde vaste verhouding tussen planten, planteneters en vleeseters. Er zijn vaak 10 keer zoveel planten als planteneters en 10 keer zoveel planteneters als vleeseters in een ecosysteem.

Als er meer roofdieren dan prooidieren zijn, wordt het steeds moeilijker voor de roofdieren een prooi te vangen. Veel roofdieren, vooral de zwakkere individuen, zullen van honger sterven. Hun aantal begint dus snel te dalen. Met weinig roofdieren kunnen prooidieren makkelijker overleven en nakomelingen voortbrengen. De toename van de prooidieren stimuleert de groei van de roofdierpopulatie want er is dan meer dan genoeg te eten. Het aantal roofdieren zal weer stijgen. De schommelingen in het aantal roof- en prooidieren komen telkens weer voor in de natuur.

Leeuwen (roofdier)                 Gazelle (prooidier)
Roofdieren en prooidieren houden elkaars aantallen in het evenwicht.

Roofdieren jagen meestal op meedere soorten prooidieren. Afname of uitsterving van één prooisoort vormt meestal geen directe bedreiging voor hun overleving. Ook planteneters (prooidieren) hebben zelf meedere plantensoorten op het menu staan.