Home

Devoon: de eerste amfibieŽn

Devoon: ongeveer 410 tot 360 miljoen jaar geleden

Deze periode is genoemd naar Devonshire (Zuid - Engeland). Hier worden fossielen gevonden, jonger dan Silurische en ouder dan Carbonische fossielen. Op grond hiervan werd een nieuwe periode aangeduid: het Devoon.

Aanblik van de aarde in het Devoon

Het zeeniveau steeg door het smelten van het landijs.
Laurentia, of †Baltica en Avalonia vormden op de evenaar het Old Red Continent. Dit continent dankt zijn naam aan de rode kleur van de bodem. Daar†groeide het Caledonisch gebergte uit (de gebergtevorming was al in het Siluur begonnen) door het naar elkaar toe bewegen van de platen. De hoogste delen van het gebergte werden†vervolgens door weer en wind†afgebroken en het puin, waarin veel voedingsstoffen zaten, werd afgevoerd naar zee, waarna het opnieuw aan de gesteentecyclus kon deelnemen.


†††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† de ligging van de continenten in het Devoon
De atmosfeer in het Devoon

Het zuurstofgehalte bleef gelijk aan dat van het Siluur (zo'n 18% van de atmosfeer bestond uit zuurstof) en nam pas aan het eind van het Devoon toe.

De temperatuur in het Devoon

De aarde werd steeds warmer, waardoor het meeste landijs smolt en het zeeniveau steeg. Tijdens het Devoon werden extreem droge periodes afgewisseld met periodes van zware regenval.

Het leven in het Devoon

Tijdens het Devoon kwamen voor het eerst op ruime schaal landplanten en landdieren voor, zoals rotsspringers, amfibieŽn en†oervarens.†
In zee bleven de algen van grote betekenis.

Er ontstond een grote verscheidenheid aan vissen. Kaakloze vissen speelden een belangrijke rol aan het begin van het Devoon. Daarna traden de vissen met kaken op de voorgrond. Ook de kraakbeenvissen (zoals haaien) en de longvissen kwamen veelvuldig voor.
Longvissen zijn vissen met longen ťn kieuwen, zodat ze de periodes van droogte konden overleven door op de longademhaling over te gaan. Gedurende de natte periodes gebruikten ze hun kieuwen voor de ademhaling.


De diversiteit aan vissen in het Devoon

Ook† ongewervelden, zoals bijvoorbeeld ammonieten en koralen, kwamen tot bloei.

Uit de oerkwastvinnigen†ontstonden de eerste amfibieŽn. De oerkwastvinnigen bestaan uit een groep vissen met botjes in de vinnen. Uit deze vinnen ontwikkelden zich de eerste poten. In plaats van kieuwen†ontwikkelden zij longen voor ademhaling op het land. Om zich voort te planten moesten de amfibieŽn nog steeds naar het water om hun eieren te leggen, omdat deze anders uitdroogden. Dit moeten ze overigens nog steeds. Verder kwamen op het land spinnen, duizendpoten en insecten voor.†


De eerste amfibieŽn gaan aan land

De landplanten werden steeds talrijker en groter. Sommige ontwikkelden nu echte bladeren.
In plaats van sporen ontstonden bij sommige planten aan het eind van het Devoon zaden voor de voortplanting (zaadplanten). Deze zaden zijn beter bestand tegen uitdroging dan sporen. Ze kunnen door wind of water verspreid worden om ergens anders te ontkiemen.
Halverwege deze periode ontstonden de varens.†Sommige soorten†waren aan het eind van het Devoon uitgegroeid tot metershoge bomen.

Aan het einde van het Devoon stierven veel dieren en planten uit door een daling van het zeeniveau. Voor de planten en dieren op het land betekende deze daling dat ze moeilijker aan water konden komen en de planten en dieren die in de kustzeeŽn leefden, kwamen door de daling van het zeeniveau droog te staan, waardoor ze uitdroogden en stierven.