Home

Van jager/verzamelaar tot landbouwer

Vanaf†ongeveer 10.000 jaar voor Christus ging de mens zich vestigen in nederzettingen, het eerste in het Nabije Oosten. Van jager/verzamelaar werd hij landbouwer. Dat is niet in ťťn keer gegaan: de eerste landbouwers waren ook nog bedreven jagers. Geleidelijk ontwikkelden ze steeds meer kennis over het verbouwen†van planten.

Verschillende soorten graan vormden waarschijnlijk een van de eerste landbouwgewassen. Jagers/verzamelaars verzamelden al zaden van wilde graanplanten om deze op te eten. Natuurlijk wisten ze ook dat een zaadje dat op de grond valt na verloop van tijd kiemt. Deze kennis†vormde de basis voor het ontstaan van de graanteelt. †

Extensieve en intensieve graanteelt

De eerste landbouwers verzamelden zaden van wilde graanplanten, zoals emmer en eenkoorn, en zaaiden deze op een voorbewerkt stuk grond uit. De voorbewerking bestond uit het verwijderen van onkruid en het vlak maken van de grond. Het onkruid werd verbrand: de as met daarin zouten en andere mineralen verrijkte als meststof de grond. Zo ontstonden de eerste akkers.†De landbouwers†vestigde zich rond deze akkers in kleine nederzettingen, die waren samengesteld uit een aantal nauw verwante familiegroepen.

In de†loop van de tijd ontstonden er twee vormen van graanteelt:

  1. De oudste vorm was de zogenaamde extensieve graanteelt, die met name werd bedreven†in steppegebieden. De grond werd omgewoeld met een graafstok, een spitstok of een hak. Daarna werd voor elk zaadje een gaatje in de grond geboord met een aangepaste graafstok die plantstok genoemd werd.
  2. De tweede vorm is de intensieve graanteelt, bedreven in gebieden met hoogteverschillen.†Op de hellingen†werden terrassen aangelegd en de landbouwers gebruikten bevloeiingssystemen om water toe te voeren. Er werd gestreefd naar een zo groot mogelijke opbrengst. Dat kon alleen door intensivering van de zorg voor veld en planten.

Bemesting

De eerste boeren zullen snel gemerkt hebben dat op hetzelfde stuk land hooguit een paar keer graan is te verbouwen en†dat de oogst daarna steeds slechter wordt.†De†grond raakte op een gegeven moment uitgeput. Aanvankelijk koos men als oplossing: een nieuw veld aanleggen en daarin gaan zaaien. Toen dat op een gegeven moment niet meer kon omdat alle stukken grond in gebruik waren, moest men iets nieuws verzinnen.

De oplossing werd gevonden in bemesting met uitwerpselen van dieren. Men kon op twee manieren aan deze mest komen. Veel vroege landbouwers hadden een gemengd bedrijf en hielden ook vee zoals schapen en koeien, voor melk, vlees, wol en huiden. De mest van deze dieren werd verzameld en op het land uitgespreid. Landbouwers die zelf geen vee hadden, lieten vee van naburige veetelers op hun land grazen als de oogst binnen was gehaald en er nog stoppels op het veld stonden. Al lopend bemestte het vee de grond.

Andere landbouwgewassen

Tarwe, rijst, maÔs en aardappelen werden de allerbelangrijkste voedingsgewassen. In de tijd van de ontdekkingsreizen raakten voedingsgewassen over de hele wereld verspreid. Zo kwam mais vanuit Zuid-Amerika bijvoorbeeld in Afrika terecht.

Afrikaanse boerin bij haar maisveld.

Vanaf het begin werden ook geneeskrachtige kruiden geteeld. Jagers/verzamelaars waren al bekend met de medicinale werking van verschillende kruiden.†Hun kennis werd van†generatie op generatie doorgegeven en wordt vandaag de dag nog steeds toegepast.