Home

Aangeboren hartafwijkingen hoeven niet erfelijk te zijn

Aangeboren hartafwijkingen zijn afwijkingen waarmee iemand geboren wordt. De afwijking hoeft niet van de ouders op het kind overgedragen te zijn, het hoeft dus niet in de familie te zitten.

In Nederland worden elk jaar ongeveer 1.400 kinderen met een hartafwijking geboren. Van deze kinderen komt 92% levend ter wereld. De overige acht procent sterft voor de geboorte.

De meest voorkomende aangeboren hartafwijkingen zijn†een gaatje in het schot tussen de boezems (Atriumseptumdefect) of een gaatje in het schot tussen de kamers (ventrikelseptumdefect). In beide gevallen heeft een deel van het bloed in het hart een verkeerde stroomrichting. Het hart moet daardoor harder werken om voldoende zuurstofrijk bloed in het lichaam rond te pompen.

Atriumseptumdefect

Er zit een gaatje in het schot tussen de boezems. Bij alle kinderen is er voor de geboorte altijd een opening tussen de boezems. De baby ademt voor de geboorte nog niet zelf, en krijgt zuurstofrijk bloed via de navelstreng. Er hoeft niet zoveel bloed vanuit de rechterboezem naar de rechterkamer, omdat de kleine bloedsomloop nog niet werkt. Door de opening tussen de boezems kan een deel van het bloed uitwijken naar de linkerboezem. De opening in het boezemtussenschot heeft een ovale vorm en wordt het foramen ovale (het ovale venster) genoemd. Voor de opening zit een klepje, dat voor de geboorte openstaat.

Bij het atriumseptumdefect groeit het klepje na de geboorte niet goed dicht. Door de hogere druk in de linkerboezem, stroomt een deel van het zuurstofrijke bloed via het gat naar de rechterboezem. Daarna stroomt het met het zuurstofarme bloed in de rechterboezem mee naar de rechterkamer en vervolgens naar de longslagader. Via de longen stroomt het terug naar de linkerboezem om vervolgens via het gat opnieuw een rondje door de longen te maken zonder dat de zuurstof door het lichaam verbruikt wordt. Dit betekent extra werk voor het hart, met name voor de rechterboezem en kamer. De rechterkamer compenseert voor het extra werk, door groter te worden, zodat per slag meer bloed kan worden weggepompt. Dit compensatiemechanisme werkt zo goed dat de kinderen over het algemeen klachtenvrij zijn, soms zelfs tientallen jaren lang. Op de lange duur, krijgen rechterboezem en kamer toch moeilijkheden met het continue overwerk. Gevolg hiervan is vervroegde slijtage van het hart, dat zich uit in verminderd inspanningsvermogen. Deze mensen kunnen hierdoor eventueel ritmestoornissen krijgen.

Ventrikelseptumdefect

Er zit een gaatje in het schot tussen de kamers. Het zuurstofrijke bloed uit de linkerkamer mengt zich met het zuurstofarme bloed uit de rechterkamer en stroomt mee naar de longen. Aangezien het bloed al verzadigd is met zuurstof, heeft dit geen zin. Het stroomt zonder extra zuurstof op te nemen terug naar de linkerboezem en naar de linkerkamer. Vervolgens wordt het weer door het gat in het tussenschot geperst voor nog een ronde door de longen. Er loopt met andere woorden een hoeveelheid bloed in een kringetje rond van het hart naar de longen en weer terug naar het hart, zonder dat het lichaam ooit de kans krijgt de zuurstof in dit bloed te gebruiken.

Bij een ventrikelseptumdefect is de druk in de linkerkamer groter dan in de rechterkamer, waardoor het hart harder moet werken.