Home

De Verlichting

Tot het eind van de zeventiende eeuw had de mens†altijd verondersteld dat hij niets tegen Gods bestemming had in te brengen, en leefde hij in overeenstemming met de kerkelijke dogma's. Daarvoor in de plaats kwam in het tijdperk van de Verlichting een vast vertrouwen in de mogelijkheid om de wereld onder controle te brengen en de toestand waarin de mens zich bevond, te verbeteren. De rede, of het gezond verstand, werd gezien als motor van de vooruitgang. Of zoals de filosoof Baruch de Spinoza het zag: De natuurlijke kennis van de rede heeft de waarheid tot doel, de geopenbaarde kennis van de Schrift slechts de gehoorzaamheid.

De wetenschap ontdoet een filosoof van zijn blinddoek
Kennis is macht

Als beginjaar van het Verlichtingstijdperk wordt vaak 1687 aangewezen, het jaar waarin Isaac Newtons Philosophiae naturalis principia mathematica (de Mathematische principes van de natuurfilosofie) verscheen. Hierin introduceerde Newton de bewijsbare wetenschap. Het theoretisch verklaren van verschijnselen was niet meer genoeg. De uitkomsten van de oude methodes van waarneming en generalisatie, moesten nu aangetoond worden met proefnemingen en metingen om geloofd te worden. Naast het belang van deze nieuwe benadering, was ook de inhoud van Newtons werk een stap op weg naar het Verlichte wereldbeeld. Newton vond een verklaring voor de bewegingen van het zonnestelsel. Het optreden van die bewegingen was al bekend door Johannes Kepler, maar Newton ontdekte de oorzaak en legde die vast in een wet. Die wet was zo universeel dat hij net zo goed toegepast kon worden op hele planeten als op een vallende appel.

Er werd in de Verlichting niet alleen naar kennis gestreefd. Het was ook een periode van tolerantie, en gelijkheid tussen alle mensen. Dit had als logisch gevolg dat de wetenschap niet meer binnen de muren van een klooster, paleis of universiteit bleef, maar toegankelijk werd gemaakt voor iedereen. Het belangrijkste instrument hiervoor waren de encyclopedieŽn in de landstaal, die gedurende de hele achttiende eeuw werden uitgegeven. Ook de wetenschappelijke genootschappen die overal werden opgericht, hadden het opdoen en verspreiden van kennis als doel.

Antonie van Leeuwenhoek
Harde bewijzen

Aan het eind van de zeventiende eeuw zijn het vooral Engeland en Frankrijk waar de filosofische zwaartepunten van de Verlichting liggen. Nederland was in de vroege achttiende eeuw toonaangevend op het gebied van de natuurwetenschappen. Het was al begonnen met de verbazingwekkende zaken die Antonie van Leeuwenhoek door zijn zelfgemaakte microscoopjes zag. Ten eerste bleek de schepping nog vernuftiger dan al gedacht werd. Maar het zichtbaar worden van micro-organismen en allerlei anatomische onderdeeltjes die nog nooit eerder gezien waren, maakte ook een eind aan allerlei misvattingen over de natuur, zoals het hardnekkige geloof in spontane generatie. Waarnemen en proeven doen werden echte Nederlandse tradities.

De beroemde Leidse hoogleraar Herman Boerhaave zei in een redevoering: Dat wij, met verwerping van het gezag van verzinsels en bedenksels, alleen nog luisteren naar de natuur die haar specifieke eigenschappen openbaart.

Ook Carolus Linnaeuswas een van Boerhaaves studenten. Hij werd de eerste wetenschapper die een allesomvattende indeling voor de rijken der natuur ontwierp. Daarbij bleek zijn Nederlandse leertijd onmisbaar, want juist hier stonden microscopie en anatomie op een hoog peil, terwijl de vele naturaliŽnverzamelingen van rijke amateurs een enorm reservoir aan dieren, planten en mineralen bevatten. Een bekende uitspraak was: God schiep, Linnaeus ordende. En eigenlijk was dit waar het in de Verlichting om draaide. De mens bracht orde aan in de schepping: op papier, door alles in wetten vast te leggen en te classificeren, en in de werkelijkheid, door de wereld om hem heen in kaart te brengen en geschikt te maken voor exploitatie.