Home

De Verlichting - Wat is de plaats van de mens in de natuur?

God heeft de natuur aan de mens gegeven voor diens nut en plezier. De mens is een afzonderlijk schepsel, dat ver verheven is boven het dierenrijk. Dit is in de zeventiende eeuw nog het onwrikbare geloof van de meeste geleerden. En ook in de achttiende eeuw stond de mens nog altijd aan het einde van de keten der schepping. Maar de afstand werd wel kleiner.

Het systeem der natuur

Het was Carolus Linnaeus die een begin maakte met het opheffen van de scheiding tussen mens en dier. In zijn Systema naturae, waarvan de meest gezaghebbende editie in 1758 verscheen, deelde hij de mens in bij de zoogdieren, in dezelfde orde - die van de primaten -†als de apen. Wat de mens dan nog onderscheidde van de dieren, is dat hij beschikte over een ziel.

Carolus Linnaeus
In de zeventiende eeuw was het vooral Renť Descartes geweest die het mechanistische wereldbeeld had gevormd. Dieren waren volgens hem machines, complex weliswaar, maar niet uitgerust met de unieke eigenschappen van de mens, zoals spraak, rede en gevoel. Dat zou ook indruisen tegen de bedoeling van de Schepper. Als dieren een ziel hadden, zou die ziel dan niet ook, net als die van de mens, onsterfelijk moeten zijn? Naar zeventiende-eeuwse maatstaven was dit een absurde godslastering.

In de achttiende eeuw ging de discussie verder. Had de menselijke heerschappij over de natuur eerst een religieuze basis, nu was de mens er vooral op uit om zijn eigen toestand te verbeteren. Het optimisme was zo sterk,†dat men dacht dat het een kwestie van tijd was voor de natuur helemaal begrepen kon worden.

Alexander Pope dichtte over de Verlichte mens:

Ga, wonderbaarlijk schepsel, stijg waartoe de wetenschap u leidt,

Ga, meet de aarde, weeg lucht, verklaar eb en vloed;

Wijs elke planeet in welke baan hij zich plaatsen moet;

Stel de zon in en verbeter zo de oude tijd.

Cultuur als bedreiging

Maar tegelijk was het zo, dat hoe meer de mens begreep van de natuur, hoe meer hij wel moest inzien dat de natuur niet alleen maar dienstbaar is aan de mens. En dat menselijk handelen schade kan berokkenen aan de natuur, iets waar men vůůr de achttiende eeuw nog geen benul van had. De Franse filosoof Jean-Jacques Rousseau schreef: Alles was goed toen het uit de handen van de Schepper kwam, maar in de handen van de mens raakt alles bedorven.

Verlichte Europeanen kregen daarom bewondering†voor volken die nog niet verpest waren door beschaving. Dit sentiment is kenmerkend voor de Romantiek, het tijdperk dat uit de Verlichting voortkomt, maar dat ook een reactie op de rationaliteit van de Verlichting is. De Verlichting bejubelde nog de cultuur van de oude Grieken, omdat die gebaseerd was op logica. In de Romantiek werd een overdaad aan beschaving als schadelijk en onnatuurlijk gezien. Romantici voelden zich dan ook aangetrokken tot de onbedorven manier waarop allerlei volken met de natuur omgingen. Deze primitief geachte mensen werden nu voor het eerst als gelijken bekeken. Het was ook in deze tijd dat er gepleit werd voor het afschaffen van slavernij.

In de late achttiende eeuw was ook de relatie tussen de mens en de natuur niet meer die van een meester tot zijn slaaf. Nu was de mens meer een Verlicht despoot: een machtige alleenheerser met respect voor de belangen van zijn onderdanen.

Meer informatie over de Verlichting