Home

Zoeken

Zoek in 4603 artikelen


    Het skelet van de mens

    De mens is het enige gewervelde dier dat zich geheel rechtopstaand voortbeweegt. Hierdoor is de bouw van zijn skelet uniek.

     

    Schedel

    Schoudergordel

    Borstkas

    Armen

    Wervelkolom

    Bekkengordel

    Benen

     

     

     

    De schedel

    De schedel is een soort doos van bot die om de hersenen zit, met uitsparingen voor de ogen. De schedel bestaat uit 29 aan elkaar gegroeide botten: 14 botten vormen je gezicht (zoals het neusbeen, de jukbeenderen en de kaken) en 8 vormen je hersenschedel (het deel van de schedel rond de hersenen). De onderkaak en de 6 kleine botjes in je oren (2x3) brengen het totaal op 29 (tanden en kiezen worden niet meegerekend). De onderkaak is het enige beweegbare bot van de schedel. Hij kan omlaag, naar links en rechts en naar voren en achteren bewegen om te bijten en te kauwen.

    De schoudergordel

    De schoudergordel wordt gevormd door de schouderbladen en sleutelbeenderen. De schoudergordel verbindt het opperarmbeen met de romp. Aan de botten van de schoudergordel zitten aanhechtingspunten voor de spieren waarmee je je arm beweegt. De schouderbladen zijn door middel van spieren verbonden met de wervelkolom, waardoor de schouders beweeglijk zijn. Dankzij de sleutelbeenderen, kunnen wij onze armen zijwaarts spreiden.

    Borstkas

    De borstkas (of ribbenkast) is een buigzame, veerkrachtige kooi van ribben, die een bescherming vormt voor de longen, het hart en belangrijke bloedvaten. Er zijn 7 paar ware ribben, verbonden met het borstbeen, 3 paar valse ribben, die elk vastzitten aan de rib erboven, en 2 paar zwevende ribben.

    Tussen de ribben, en eraan vast, zitten de tussenribspieren dunne spierlaagjes die het uitzetten van de borstkas tijdens het ademen mogelijk maken.

    Alle onderdelen van de borstkas (24 ribben, 12 wervels en een driedelig borstbeen) zijn ongeveer 5 miljoen keer per jaar in beweging, telkens wanneer je ademhaalt.

    borstbeen

    Het borstbeen is een lang, plat bot in het midden van de borstkas. Het is ongeveer 15 centimeter lang en bestaat uit 3 botten die aan elkaar vastzitten: een driehoekig bovendeel, een lang, smal middendeel en een klein, enigszins buigzaam onderste deel. Het is door middel van gewrichten verbonden met de 2 sleutelbeenderen, en met kraakbeen, dat de eerste tien ribben met het borstbeen verbindt. Het borstbeen heeft meerdere functies: versterking van de lichaamswand; bescherming van inwendige organen; aanhechting van spieren; en het borstbeen speelt een rol bij de ademhaling (niet bij alle gewervelden). Alleen dieren met vier ledematen hebben een borstbeen.

    Armen

    Het grote bot in je bovenarm, het opperarmbeen, loopt van het schouderblad tot de elleboog. Het heeft de kenmerkende vorm van een pijpbeen: een lang, dun middenstuk en twee ronde uiteinden. De kop van het bot past in de gewrichtskom van het schouderblad. De onderkant van het bot vormt bij je elleboog een scharniergewricht met de twee botten in de onderarm het spaakbeen en de ellepijp. Deze lange, dunne botten komen met het opperarmbeen samen in het ellebooggewricht.

    Het spaakbeen en de ellepijp draaien en rollen over elkaar heen, van de elleboog tot de pols, om de handpalm voor- en achterwaarts te draaien. Als de palm van je hand naar achteren wijst, lopen het spaakbeen en de ellepijp parallel. Als de handpalm naar voren wijst, rolt het spaakbeen over de ellepijp heen waardoor een X-vorm ontstaat. Het spaakbeen loopt van het ellebooggewricht tot de duimzijde van de pols. De ellepijp loopt van de achterkant van de elleboog tot de pinkzijde van de pols. Ezelsbruggetje: ellepijP zit aan de kant van de Pink.

    De hand bestaat uit 27 botjes. Samen zorgen ze ervoor dat de hand een beweeglijk instrument is, waarmee je dingen stevig kunt vastpakken, maar ook hele subtiele bewegingen kunt maken, zoals bijvoorbeeld pianospelen. De handbeenderen worden onderscheiden in drie groepen: de pols (8 handwortelbeentjes, ieder zo groot als een knikker), de middenhandsbeentjes (5 kleine pijpbeenderen die een waaier vormen vanuit de pols) en vingerkootjes (botjes in de vingers, totaal 14 heel kleine pijpbeenderen aan het uiteinde van de hand). De duim heeft 2 vingerkootjes, de andere vingers 3. Als je een vuist maakt, zie je bij de knokkels de uiteinden van de middenhandsbeenderen.

    Wervelkolom

    De wervelkolom is een kolom van 33 botten (wervels). De bovenste 24 wervels zijn met elkaar verbonden als de schakels van een ketting. De onderste 9 wervels zijn vergroeid tot het heiligbeen (5 vergroeide wervels), dat de wervelkolom ondersteunt en verbindt met het bekken, en het stuitbeen (4 vergroeide wervels) of staartbeen, dat geen functie meer heeft.

    De bovenste 7 wervels van de wervelkolom zijn de halswervels. De bovenste halswervel heet de atlas. Twee achterhoofdsknobbels onderaan de schedel passen in komvormige gewrichtsvlakken van de atlas. Deze tillen de schedel lichtjes op, zodat je kunt knikken. De draaier is de tweede halswervel en heeft een uitsteeksel dat past in een groef van de atlas. Hierdoor kun je je hoofd draaien.

    Na de halswervels, volgen 12 borstwervels die elk door middel van een beweeglijk gewricht verbonden is met 2 ribben. Door deze gewrichten kunnen de ribben op en neer gaan tijdens het ademen.

    Na de borstwervels, volgen 5 lendewervels. Ze bevinden zich in de onderrug tussen de borstkas en de heupen, waar ze door hun krachtige bouw een groot gewicht kunnen dragen. Ze vormen een aanhechtingsplaats voor de rugspieren. Tenslotte volgt het heiligbeen: zijn wigvorm past precies in het achterste deel van het bekken.

    Bekkengordel

    Het bekken verbindt de wervelkolom met de benen. Het bevindt zich op ongeveer de halve hoogte van het skelet van de mens, draagt het gewicht van het bovenlijf en beschermt de organen in de bekkenholte. Het bekken van de vrouw is breder dan bij een man, om de geboorte van een kind mogelijk te maken.

    Aan beide kanten van het bekken zit een diepe kom waarin de dijbeenkop (kogelgewricht) past. Beide heupbeenderen de zijkanten van het bekken - bestaan uit drie met elkaar vergroeide botten: het darmbeen (is het grootst: de bovenkant ervan voel je aan de voorkant van je lichaam een beetje uitsteken), het zitbeen (aan de bil-zijde: dit bot draagt je hele gewicht als je zit) en het schaambeen (aan de voorzijde in de schaamstreek). Twee botten aan het einde van de wervelkolom het heiligbeen en het stuitbeen, zie bij wervelkolom vormen de achterkant van het bekken.

    Het bekken van de mens is vanwege de rechtopgaande manier van voortbewegen heel anders gevormd dan bij andere gewervelden. Doordat de mens op twee benen loopt, ligt het bekken in een rechte lijn tussen de wervelkolom en de benen. Het bekken heeft een ronde vorm, zodat de steunlijn langs de wervelkolom omlaag loopt, via elke helft van het bekken naar het heupgewricht, en omlaag in elk been. Bij dieren die op vier poten lopen, staan de poten onder een rechte hoek met de wervelkolom. De rechte hoek wordt overbrugd door het langwerpige bekken.

    Benen

    Het grote bot in je bovenbeen, het dijbeen, loopt van het bekken tot de knie. Het bovenste uiteinde van het dijbeen vormt een kogelgewricht met het bekken (heupbeen), waardoor beweging in verschillende richtingen mogelijk is. Het onderste uiteinde vormt een scharniergewricht met het scheenbeen, waardoor de knie kan buigen.

    Het onderbeen bevat twee botten, het scheenbeen en het kuitbeen, die de knie met de enkel verbinden. Het scheenbeen is na het dijbeen het langste en zwaarste bot in je lichaam. De voorkant van het scheenbeen kun je vlak onder het huidoppervlak voelen, want er zit geen spier tussen huid en bot; daarom doe een geschaafde scheen zo'n pijn. Als je staat, ondersteunt het scheenbeen je lichaam. Het dunnere kuitbeen draagt niet je gewicht, maar ondersteunt wel het enkelgewricht. De knobbelige uitsteeksels van de enkel zijn geen enkelbotten, maar de uiteinden van het scheenbeen.

    De knieschijf is een zogenaamd sesambeen: een klein, ovaal botje dat zich als een verbening binnen een pees ontwikkelt op plekken in het lichaam die aan wrijving zijn blootgesteld. De knieschijf is ontwikkeld in de pees van de vierkoppige dijspier, en bevindt zich tussen het dijbeen en scheenbeen. De knieschijf beschermt het kniegewricht.

    De voet bestaat uit 26 botjes. De voetbeenderen worden onderscheiden in drie groepen: de 7 onregelmatige voetwortelbeentjes, die je enkel en je hiel vormen, de 5 lange middenvoetsbeentjes, die samen het voetgewelf vormen, en de 14 teenkootjes. De grote teen heeft 2 teenkootjes, de andere tenen 3.

    De beentjes in de voet vormen een lichte boog met natuurlijke veerkracht. Als de voet wordt neergezet wordt de boog vlakker; wordt hij opgetild dan springt de boog terug. Dit werkt als een schokdemper tijdens het lopen.