Home

skeletten van gewervelde dieren

Gewervelde dieren zijn dieren met een inwendig skelet van botten. Er zijn vijf†klassen gewervelde dieren. Vissen, amfibieŽn, reptielen, vogels en zoogdieren.†Binnen elke klasse bestaan er grote overeenkomsten in de skeletbouw. Er zijn echter ook grote verschillen.

Ga naar:

†††††††† vissen †††††† amfibieŽn ††††††††† reptielen †††††† vogels †††† zoogdieren

vissen

-schedel

De schedel zit bij vissen onbeweeglijk verbonden aan de wervelkolom. Ze kunnen hun kop niet los van hun wervelkolom bewegen.

-wervelkolom

De wervelkolom van vissen is bijzonder flexibel. Langs de hele lengte zijn aan weerszijden van de wervelkolom spieren bevestigd, die door afwisselende samentrekking en ontspanning een golvende beweging van het lichaam mogelijk maken. Hierdoor zet de staart zich af tegen het water en de vis schiet vooruit.

†het skelet van de haring
†het skelet van de eenhoornvis

-vinnen

De vinnen maken deel uit van het skelet. Rugvinnen zorgen ervoor dat de vis niet om zijn as rolt. Gepaarde borstvinnen zorgen voor een stabiele ligging in het water en maken afremming mogelijk.

De staartvin is breed en plat, zodat afzetten tegen water mogelijk is.

-schouder-/bekkengordel

Door het ontbreken van ledematen hebben vissen een kleine schouder- en bekkengordel. De schoudergordel is de plaats waar de borstvinnen zitten aangehecht. De schoudergordel zit onbeweeglijk verbonden aan de schedel. Daardoor is er geen beweging van de schedel ten opzichte van de wervelkolom mogelijk. Aan de bekkengordel zitten de buikvinnen aangehecht. Afhankelijk van de vissoort, zit het bekkengordel voor- of achteraan in het lichaam. Dit ligt aan de positie van de buikvinnen.

Er bestaan twee grote groepen vissen: beenvissen en kraakbeenvissen. Zoals de naam al zegt, hebben beenvissen een skelet van been en kraakbeenvissen een skelet van kraakbeen.

Amfibieen

†skelet van de Zuid-Afrikaanse stierkikker

-schedel

De schedel zit bij amfibieŽn beweeglijk verbonden aan de wervelkolom. Sommige amfibieŽn hebben een†zogenaamde kinetische schedel. Dit betekent dat de boven- en onderkaak beide kunnen bewegen. Iets dat ook bij reptielen en vogels voorkomt.

-wervelkolom

AmfibieŽn hebben het minst aantal wervels van alle gewervelde landdieren Een kikker heeft†zeven wervels. Tijdens de evolutie waren de amfibieŽn de eerste gewervelden waarbij een nek ontstond. De schoudergordel zit niet direct verbonden aan de schedel, maar door de nek kan de schedel zich ten opzichte van†de wervelkolom bewegen. Echte halswervels ontbreken, maar de eerste wervel is aangepast om een geringe beweging van de kop mogelijk te maken.

-borstkas

AmfibieŽn hebben geen echte ribben: de wervels hebben slechts korte uitsteeksels. Daardoor verloopt de ademhalingsbeweging bij amfibieŽn anders dan bij reptielen, vogels en zoogdieren. De inademing van lucht gebeurt door een slikbeweging en de uitademing wordt tot stand gebracht door de samentrekking van buikspieren. Bij gebrek aan ribben, worden de inwendige organen van de borstkas beschermd door een borstbeen.

Reptielen

-schedel

Sommige hagedissen en alle slangen hebben een†zogenaamde kinetische schedel. Een schedel waarvan de boven- en onderkaak beide kunnen bewegen. Bij slangen is deze schedelbouw het meest extreem: het beweeglijke mechanisme van de schedel bestaat uit meerdere losse botten, die onafhankelijk van elkaar kunnen bewegen. Daardoor kunnen bijvoorbeeld slangen zeer grote prooien verorberen.

†skelet van de Boa constrictor

-wervelkolom

Bij schildpadden is de wervelkolom met de beenplaten van het rugschild vergroeid. Slangen hebben de langste wervelkolom.†Bij slangen dragen alle wervels, op de eerste twee na,†ribben. De ribben van slangen, dragen bij aan de voortbeweging.

-borstbeen

†skelet van de Mississippialligator

Hagedissen en krokodillen hebben vaak een groot borstbeen. Bij krokodillen loopt het borstbeen uit in een buikplaat, die bestaat uit vergroeide buikribben die onbeweeglijk met de lendewervels zijn verbonden. Deze buikplaat loopt door tot op de hoogte van het bekken.

Slangen hebben geen borstbeen, zodat grote prooien kunnen worden verwerkt door de ribben te spreiden.

Bij schildpadden ontbreekt het borstbeen. De huidverbeningen van het buikschild nemen de functie van het borstbeen over, terwijl de ribben zijn vergroeid met het rugschild. Tezamen ontstaat zo de onbeweeglijke doos van de schildpad.

†skelet van de stekelrandklepschildpad
†skelet van de Madagaskarstralenschildpad

-ledematen

Net als bij amfibieŽn staan bij reptielen de ledematen meestal aan weerszijden van het lichaam, maar ze zijn wel steviger gebouwd. Slangen hebben geen ledematen. Bij sommige slangen zijn van de achterste ledematen en de bekkengordel resten te vinden. Bij de reuzenslangen bijvoorbeeld, bevindt zich aan weerszijden van de aarsopening een klauw, die door skeletstaafjes wordt gesteund. De knieschijf ontbreekt bij reptielen.

vogels

Vogels hebben een vliegende leefwijze. Ze hebben daarom een licht skelet. Veel vogelbotten zijn dan ook hol. De sterkte van de botten komt door hun ronde of ovale kokerconstructie, met binnenin kruislings lopende verbindingsstukjes die buigen of omdraaien voorkomen. Sommige botten bevatten luchtzakjes, die uitbreidingen van de longen zijn. Zij zorgen voor extra lichtheid en trekken ook lucht door de longen om meer zuurstof te krijgen.

†skelet van de tortelduif †skelet van de vale gier

-schedel

Vogels kunnen hun snavel zeer wijd opensperren. Ze hebben een zogenaamde kinetische shedel. Dit betekend dat ze zowel de boven- als onderhelft van de snavel kunnen bewegen. De beweeglijkheid van de snavel maakt gespecialiseerde manipulatie van voedsel mogelijk. De hoornen snavel (niet van been!) is in feite een aanpassing aan een vliegende leefwijze: hij is lichter in gewicht dan kaken met een gebit, maar heeft dezelfde functie.

-wervelkolom

Door vergroeiing van wervels hebben vogels een korte, onbeweeglijke rug. Daardoor wordt de stuwende kracht van de vleugels dichtbij het zwaartepunt van het lichaam overgebracht, waardoor het lichaam als een geheel beweegt.

-borstbeen

Het borstbeen van vogels is buitengewoon groot, en bezit meestal een kiel voor de aanhechting van vliegspieren. Vooral soorten met een grote slagfrequentie van hun vleugels, zoals de kolibrie, hebben een grote kiel. Bij soorten die niet vliegen, ontbreekt de kiel zoals de struisvogel.

†skelet van de kolibrie
†skelet van de struisvogel-

-ledematen

De voorpoten van vogels zijn omgevormd tot vleugels. De vleugel bestaat uit een verlengd opperarmbeen, een spaakbeen en ellepijp die niet of nauwelijks ten opzichte van elkaar kunnen bewegen, en een korte, gereduceerde hand. Er zijn maar†drie vingers.

Het dijbeen ligt bij vogels vrijwel horizontaal, en is bij een levende vogel niet zichtbaar omdat het verborgen ligt in de romp. Het scheenbeen is lang en goed ontwikkeld, het kuitbeen is zwak ontwikkeld en vergroeid met het scheenbeen. De middenvoetsbeentjes zijn sterk verlengd. Daarom lijkt het net alsof een vogel zijn knieŽn achteruit kan buigen, maar dit zijn niet de knieŽn maar de hielen! De middenvoetsbeentjes zijn vergroeid met de voetwortelbeentjes tot het loopbeen.

Zoogdieren

-schedel

Alleen de onderkaak kan bewegen.

-wervelkolom

Zoogdieren hebben†zeven halswervels. Bij sommige soorten zijn de halswervels klein en/of vergroeid, bij andere soorten zijn de wervels groot. Vergelijk de afmeting van de halswervels bij de†Gangesdolfijn†(korte nek) en giraf (lange nek): de verschillen zijn spectaculair!

†schedel en nek van Gangesdolfijn
†schedel en nek van giraf

- schouderblad

Bij de mens en aapachtigen ligt het schouderblad aan de achterkant. Bij de meeste andere zoogdieren ligt het schouderblad plat†tegen de zijkant van de borstkas, waardoor het in hetzelfde vlak van de voorpoot kan bewegen en bijdraagt aan de voortbeweging.

†skelet van de herdershond
†skelet van de gorilla

-sleutelbeen

Bij veel zoogdieren ontbreekt het sleutelbeen. Dit geldt bijvoorbeeld voor de roofdieren (honden en katten kunnen bijvoorbeeld hun poten niet uitspreiden). In plaats daarvan heeft het schouderblad een grote kam voor de aanhechting van spieren.

-penisbeentje

Bij veel zoogdieren (roofdieren, vleermuizen, insecteneters, knaagdieren en sommige apensoorten) heeft het mannetje een zogenaamd penisbeentje: een in de penis voorkomend staafvormig beentje. Dit is geen echt onderdeel van het skelet, maar een zogenaamd sesambeentje, dat gevormd wordt als verbening in een pees. Vaak ontbreekt het penisbeentje in het opgezette skelet, omdat het tijdens het prepareren verloren gaat. De functie van het penisbeentje is niet goed bekend. Wegens soortspecifieke eigenschappen wordt het als determinatiekenmerk gebruikt.

†de coyote heeft een penisbeentje