Home

Zoeken

Zoek in 6490 artikelen


    Vliegers

    Bij Vliegende dieren zijn de voorpoten omgevormd tot vleugels. Vogels hebben veren om het draagvlak van de vleugel te vergroten en zich beter af te kunnen zetten tegen de lucht. De staart zorgt voor het sturen en de stabiliteit van het lichaam tijdens het vliegen.

    Het borstbeen van vliegende dieren is groot en heeft een kiel voor de aanhechting van sterke vliegspieren. De romp is kort. Om te kunnen vliegen moet het skelet superlicht zijn. De botten van vogels zijn dan ook hol.

    Er zijn drie typen vliegers: slagvliegers, zwevers en helicopters.

       
     Basisvorm van een vlieger

     

    Slagvliegers

    De kiel op het borstbeen is sterk ontwikkeld. De vleugels worden tijdens het vliegen zowel in een voorwaartse als in een opwaartse beweging op en neer geslagen. Deze manier van vliegen heet slagvliegen.

       
     skelet van de tortelduif  skelet van de havik

    Zwevers

    Er zijn twee typen zwevers: statische zwevers en dynamische zwevers. Statische zwevers ontlenen de opwaartse kracht tijdens het zweven aan opstijgende warme lucht (thermiek). Ze hebben grote, brede vleugels. Dynamische zwevers ontlenen de opwaartse kracht door stijgwinden vlak boven de golven op zee. Zij hebben lange, smalle vleugels.

       
    skelet van de vale gier  skelet van de visarend

    Helicopters

    De bouw van de schoudergordel van de kolibrie is uniek. Deze maakt het mogelijk de vleugels te kantelen. Daardoor kan de kolibrie zich ook tijdens de opslag afzetten tegen de lucht, waardoor hij stilhangt. Deze manier van vliegen kost enorm veel energie, maar geeft de kolibrie wel toegang tot een zeer energierijke voedselbron: de nectar van bloemen.

     
     Skelet van de kolibrie