Home

Theropoda

De theropoden waren de vleesetende dinosauriėrs. Alle theropoden liepen op hun achterpoten. Hun voorpootjes waren in verhouding erg kort, maar hun hand had vaak wel griezelig scherpe, gekromde klauwen. Ze hadden meestal niet meer dan drie vingers. De naam 'Theropoda' betekent vrij vertaald zoveel als beest-voet, of (nog iets vrijer vertaald) monsterpoot.

Plantenetende dinosauriėrs, kleine vleesetende dino's en zelfs soortgenoten stonden bij de Theropoda op het menu. Maar ook hagedissen en kleine zoogdiertjes waren niet veilig voor de vleesetende dinosauriėrs. De afgeplatte, dolkvormige tanden, vaak met kartels, waren ideaal om vlees mee af te bijten. Doordat ze een extra scharnier in de onderkaak hadden, konden ze hun prooi beter naar binnen werken. In het Krijt hadden de meeste theropoden al naar voren gerichte ogen, waardoor ze beter diepte konden zien. Dat kwam bij het vangen van prooi enorm goed van pas.

 

Dankzij hun slanke, lange achterpoten waren de theropoden goede renners. Hun pootafdrukken herken je aan de typische drietenige vogelpootvorm. Hun holle botten maakten de theropoden tot lichtgebouwde, snelle dieren.

De groep van de Theropoda is heel gevarieerd. We komen er kleine, behendige rovertjes in tegen, zoals Velociraptor; enorme vleeseters als Tyrannosaurus rex, Carnotaurus en Giganotosaurus en opvallende of zelfs bizarre vormen als Oviraptor, die geėvolueerd is tot een tandeloze theropode. Een van de eerste theropoden is Herrerasaurus.

                                            

  

Sommige theropoden hadden veren of een vacht van veerachtige pluisjes. Die veren of pluisjes zullen eerst vooral voor isolatie gezorgd hebben. Later ontwikkelden ze tot vliegveren waarmee theropoden konden vliegen. Deze theropoden waren de voorouders van de vogels.

Er zijn aanwijzingen dat sommige theropoden in groepen leefden. De kleinere soorten zouden in groepen van tien of nog veel meer gejaagd hebben. Grotere soorten leefden in groepjes van hooguit twee of drie dieren.

Fossielen van theropoden zijn zeldzaam. Minder dan één op de vijf dinosauriėrfossielen is van een vleeseter afkomstig, want net als tegenwoordig had je ook toen veel planteneters nodig om één vleeseter in leven te houden.