Opbouw van de cel |
De ontwikkeling van een organisme begint met één cel. Het DNA in deze cel bevat alle informatie om een volwassen individu te doen ontstaan, met bijbehorende eigenschappen zoals soort, geslacht en karakter.
Cellen zijn de bouwstenen van weefsels en organen. Op hun beurt zijn cellen weer opgebouwd uit verschillende onderdelen. Eerst gaan we een dierlijke cel van dichtbij bekijken.
![]() |
| Een dierlijke cel |
| 1 | Celkern | Opslagplaats van erfelijke informatie van een organisme, in de vorm van DNA. Met deze informatie bestuurt de kern alle levensprocessen. |
| 2 | Kernmembraan | Omhulsel van de celkern. |
| 3 | Kernporie | Opening in het kernmembraan voor de uitwisseling van stoffen tussen de kern en de cel. |
| 4 | DNA | DNA zit als opgerolde draadjes in de celkern. Deze draadjes heten chromosomen.
In een menselijke cel zit twee meter DNA. De totale hoeveelheid DNA in een mens is vijf miljoen keer de omtrek van de aarde. De mens heeft 23 paar chromosomen. Van elk paar is één chromosoom afkomstig van de moeder en één van de vader. |
| 5 | Kernlichaampje | Zorgt voor de opbouw van ribosomen. |
| 6 | Ruw endoplasmatisch reticulum (ER) | Netwerk van membranen, dat zorgt voor transport van stoffen in de cel. Op het plasma-netwerk liggen ribosomen. |
| 7 | Glad endoplasmatisch reticulum (ER) | Netwerk van membranen, dat zorgt voor transport en afbraak van stoffen in de cel. |
| 8 | Ribosomen op het ER | Kleine bolletjes, die de informatie van het DNA lezen en voor de opbouw van eiwitten zorgen. Deze ribosomen bouwen eiwitten op die buiten de cel werkzaam zijn. |
| 9 | Ribosomen in de cel | Kleine bolletjes, die de informatie van het DNA lezen en voor de opbouw van eiwitten zorgen.
Deze ribosomen liggen los in de cel. Ze bouwen eiwitten op die binnen de cel werkzaam zijn. |
| 10 | Mitochondrion | Energieleverancier van de cel |
| 11 | Golgi-apparaat | Een systeem van op elkaar gestapelde membranen. Het Golgi-apparaat is een soort fabriek, waarin allerlei stoffen van de cel worden bewerkt.
Kleine blaasjes met stoffen worden aan de zijkant van het Golgi-apparaat afgesnoerd. De stoffen worden buiten de cel afgegeven. |
| 12 | Lysosoom | Blaasje waarin afvalstoffen van de cel worden afgebroken. |
| 13 | Vacuole | Met vocht gevuld blaasje waarin afvalstoffen of reservestoffen zijn opgeslagen. |
| 14 | Celplasma | Vloeistof waarin de onderdelen van de cel liggen. |
| 15 | Celmembraan | Omhulsel van de cel.
Via de celmembraan kunnen stoffen in de cel worden opgenomen en afgegeven aan de omgeving. |
Plantencellen: anders en toch hetzelfde
Plantencellen lijken in veel opzichten op dierlijke cellen. Er zijn een paar belangrijke verschillen. Plantencellen hebben onderdelen die de energie uit zonlicht kunnen omzetten in een vorm die bruikbaar is om te groeien en te leven. Daarnaast danken planten een belangrijk deel van hun stevigheid aan de celwanden die om het membraan van de plantencel heen zit.
![]() |
| Een plantencel |
| 1 | Celwandporie |
Opening in de celwand voor de uitwisseling van stoffen tussen cellen. |
| 2 | Celwand |
Stevige laag om de plantencel, die de cel vorm en stevigheid geeft. De celwand zorgt ook voor stevigheid van de plant. |
| 3 | Bladgroenkorrel (chloroplast) |
Hierin vindt fotosynthese plaats. In dit proces worden zonne-energie, water en koolstofdioxide vastgelegd in glucose. |
| 4 | Vacuole |
De vacuole van een plantencel is groter dan die van een dierlijke cel. Behalve voor de opslag van reservestoffen, afvalstoffen en kleurstoffen is de vacuole ook belangrijk voor de groei van de plantencel. |
In de celkern zit het erfelijk materiaal van de cel, het DNA. Dat DNA bestaat uit lange ketens, die chromosomen worden genoemd.
Lees verder over chromosomen
Over de vraag hoe levende cellen ooit zijn ontstaan is nog veel onbekend. Er zijn wel een aantal goede wetenschappelijke theorieën over.

