Home

Ontstaan van immuniteit

Immuniteit in biologische zin is weerstand tegen lichaamsvreemde stoffen. Dat kunnen ziekteverwekkers zijn, maar ook gifstoffen. We moeten hierbij een onderscheid maken tussen immuniteit van individuen en die van soorten.
Immuniteit van individuen

Immuniteit van individuen kan goed aan de hand van ons eigen lichaam gedemonstreerd worden. Ons lichaam kent een dubbel afweersysteem. Het betreft twee soorten cellen in ons bloed, de zogenaamde B-lymfocyten en T- lymfocyten. Beide worden in de lymfeklieren gemaakt. De lichaamsvreemde stoffen worden antigenen genoemd. Het kunnen virussen, bacteriŽn of allerlei stoffen zijn. B-lymfocyten maken hier stoffen tegen, zogenaamde antistoffen, die de lichaamsvreemde stoffen onschadelijk maken. Deze antistoffen zijn zeer specifieke eiwitten. De T-lymfocyten reageren met de wand van cellen met een antigen, waardoor de cellen sterven. Deze cellen kunnen eigen cellen zijn die door een virusbesmetting vreemd antigen in hun wand dragen, of ook cellen met vreemde antigenen die van een ander persoon afkomstig zijn, zoals bij transplantaties. Er kan dan afstoting plaats vinden.

Vaccinatie

De aanmaak van voldoende antistoffen of immuun T-lymfocyten duurt ťťn tot twee weken. Dan kan de infectie al ernstige vormen hebben aangenomen. Is men echter eenmaal besmet geweest, dan is er een voorraad antistoffen of T-lymfocyten aanwezig, die direct aan de slag gaan bij een nieuwe besmetting. Men heeft dan een immuniteit opgebouwd. Deze immuniteit kan men ook opwekken door een persoon opzettelijk te besmetten met een geringe hoeveelheid virussen of bacteriŽn in afgezwakte vorm. Dit heet vaccinatie. Het lichaam wordt dan niet echt ziek, maar het immuunsysteem wordt wel geactiveerd tegen deze ziekteverwekkers.

Immuniteit van soorten

De snelheid waarmee vele insecten en allerlei parasieten niet als individu maar als soort immuniteit kunnen opbouwen is een prachtige illustratie van Darwins ideeŽn over adaptatie en natuurlijke selectie. Tegelijk stelt het ons voor grote problemen, zowel in de landbouw als in de wereldgezondheid. Het principe is simpel. De organismen komen in grote aantallen voor en planten zich snel voort. Er is een genetische variatie in weerstand tegen gifstoffen. De meeste exemplaren zullen wellicht bij toepassing van een bepaald gif sterven, maar enkele individuen zijn er enigszins tegen bestand. Ze weten net de dans te ontspringen en planten zich snel voort. Bij een volgende behandeling is al een veel groter deel van de populatie bestand tegen het gif en na enige behandelingen heeft het gif geen effect meer. Daarom moet een antibioticumkuur worden afgemaakt: stoppen we voortijdig dan bestaat de kans op immuniteit tegen het gebruikte antibioticum.

Probleem

Het probleem van immuniteit is levensgroot in het geval van malaria. De parasiet, Plasmodium, wordt overgebracht door de malariamug, Anopheles. De parasiet heeft tegen vrijwel alle bekende middelen een hoge mate van immuniteit opgebouwd, en nieuwe middelen zijn haast erger dan de kwaal. De mug is zeer moeilijk te bestrijden, tenzij we ervoor zouden kunnen zorgen dat er geen enkel plasje water, hoe klein ook, aanwezig is waarin de larven zich kunnen ontwikkelen. Toen de stof nog niet verboden was vanwege het gevaar voor de mens zelf, heeft men wereldwijd DDT toegepast ter bestrijding van allerlei insectenplagen. Daaronder zaten niet alleen insecten die schadelijk waren in de landbouw, maar ook overbrengers van ziekteverwekkende parasieten. Het bleek dat vele insecten zeer snel weerstand tegen DDT konden opbouwen. Bestrijdt men daarnaast de parasiet met bepaalde gifstoffen, dan kan deze ook nog eens immuun worden, zodat in feite een dubbele immuniteit ontstaat.