Home

Evolutiemodellen

Volgens Darwins theorie gaat de evolutie met hele kleine stapjes. Dit noemen we het gradualistische model. Het model heeft veel kritiek gekregen, omdat de oorsprong van ingewikkelde organen zoals het oog moeilijk voorstelbaar is in kleine stapjes. Er zijn dan ook andere modellen bedacht.
Micro- en macro-evolutie

Naast kleine verschillen binnen een soort zien we grotere verschillen tussen soorten, nog grotere tussen geslachten, enzovoort. Voor sommigen was dat reden om aan te nemen dat er verschillende processen een rol spelen. Er zouden veranderingen zijn die niet leiden tot nieuwe soorten, ook wel microevolutie genoemd, en veranderingen die wel leiden tot nieuwe soorten, nieuwe kenmerken en bouwplannen, macro-evolutie genoemd. Vooral voor het ontstaan van grote verschillen en ingewikkelde structuren, zoals ogen, waarvan men zich het nut niet kan voorstellen in een opbouwfase, als het half af is, werden 'sprongmutaties' bedacht. De geneticus Goldschmidt dacht dat er nu en dan een hopeful monster ontstond, een volkomen nieuw type dat op een of andere manier toch in leven bleef. Hij vertelde er niet bij waar dit arme monster dan een partner kon vinden. Bovendien zouden dit soort monsters dan ook nu nog rond moeten lopen.

Punctuated equilibrium

Het idee van sprongsgewijze in plaats van graduele veranderingen lijkt ondersteund te worden door de fossielen. Hier zien we vaak soorten lange tijd nauwelijks veranderen, om er dan plotseling anders uit te gaan zien, waarna ze weer lange tijd gelijk blijven. Het ontbreken van zulke schakels (missing links) tussen de typen was al lang bekend en werd toegeschreven aan de onvolledigheid van de fossielen. De kans dat een soort fossiliseert, is immers erg klein en afhankelijk van allerlei verschillende factoren. In 1972 bedachten de Amerikaanse paleontologen Eldredge en Gould dat de fossiele overlevering misschien helemaal niet zo onvolledig was, maar dat de soorten in zo korte tijd sterk veranderden dat de kans op het vinden van fossielen van die zogenaamde tussenvormen erg klein was. Er waren er simpelweg te weinig van. Zij noemden dit verschijnsel punctuated equilibrium, onderbroken evenwicht.

Langzame en snelle evolutie

Als ondersteuning van het model van punctuated equilibrium is wel aangehaald, dat het overeenkomt met wat men waarneemt als een populatie van weinig individuen plotseling explosief groeit: in korte tijd treden veel veranderingen op. We spreken dan echter wel over een heel andere tijdschaal. Een populatie kan in tien, vijftien jaar sterk veranderen. Bij punctuated equilibrium moeten we volgens Gould toch denken aan één procent of minder van de totale leefduur van een soort. Als een soort gemiddeld tien miljoen jaar zou bestaan, zou het bij punctuated equilibrium om een veranderingsperiode van 100.000 jaar gaan. Het is dan ook de vraag of het zinnig is deze vergelijking te maken. Een ander probleem bij dit model is, dat het vaak moeilijk is vast te stellen of opeenvolgende fossiele typen tot dezelfde ontwikkelingslijn behoren of onafhankelijke lijnen vertegenwoordigen.

Grote en kleine verschillen

Als we praten over grote en kleine verschillen, gaat het om subjectieve waarneming. Stel, je hebt een plantensoort met twee rassen: één met rode en één met gele bloemen. Er is een verwante soort met blauwe bloemen. Is het verschil tussen rood en geel kleiner dan tussen rood en blauw? Wellicht is het zinvoller door te dringen tot de kern van de verschillen, namelijk het DNA. Een maat voor verschillen zou het aantal verschillen in organische basen kunnen zijn. Maar ook dit geeft geen uitsluitsel, want basen kunnen meerdere malen vervangen worden zonder dat het later is terug te zien aan het DNA. Het lijkt het beste het hele verhitte debat over snelheid van verandering en grootte van verschillen voorlopig te laten voor wat het is en de aandacht te richten op de vraag: hoe ontstaan in het DNA nieuwe eigenschappen?