Home

Erfelijkheid

Bij het kweken van planten en dieren heeft men altijd gebruik gemaakt van het feit dat kenmerken van ouders op nageslacht worden overgeërfd. Toch duurde het tot de tweede helft van de negentiende eeuw voor men door kreeg hoe die overerving in zijn werk ging.

Monnikenwerk

In Moravië, thans een deel van Tsjechië, leefde van 1822 tot 1884 een monnik, Gregor Mendel. Hij deed kruisingsproeven met verschillende vormen van de erwt en hield zeer nauwkeurig bij hoe deze vormen getalsmatig in het nageslacht optraden. In 1865 publiceerde hij zijn resultaten in boekvorm. Zijn werk werd over het hoofd gezien of genegeerd. Het boek dat hij naar Darwin opstuurde, was bij diens overlijden nog ongeopend. En dat terwijl Darwin zelf niet goed wist hoe erfelijke eigenschappen werden doorgegeven. Pas in 1900 kwam er erkenning van Mendels werk. De Nederlander Hugo de Vries speelde daarin een prominente rol.

Principe

Iedere erfelijke eigenschap of gen kan in meerdere vormen optreden. De oogkleur kan bijvoorbeeld blauw of bruin zijn. Deze vormen noemen we allelen. In iedere cel komen van ieder kenmerk twee allelen voor. Deze kunnen gelijk zijn of verschillend. Het ene allel voor oogkleur kan bijvoorbeeld zorgen voor pigment in de iris (resultaat: bruine ogen), het andere voor ontbreken van pigment (blauwe ogen). Bij de vorming van geslachtscellen worden de allelen gescheiden, zodat elke geslachtscel slechts één allel per gen heeft. Bij de bevruchting worden de overeenkomstige allelen van vaders- en moederszijde gecombineerd. Het embryo heeft dan ook weer een dubbel aantal allelen. Stel dat bij beide ouders een gen voorkomt in de allelen x en y. In iedere cel zit van dat gen dan x en y, maar in de geslachtscellen alleen x of y. Na bevruchting zijn er dan drie mogelijke combinaties: xx, xy en yy.

Dominantie

De verschillende allelen van een gen zijn niet alle even krachtig. Het allel dat de boventoon voert, wordt dominant genoemd, het andere recessief. Zo is het allel voor pigmentatie van de iris dominant. Een persoon kan alleen blauwe ogen hebben als beide allelen voor oogkleur voor ontbreken van pigmentatie in de iris zorgen. Is de combinatie één allel voor pigmentatie en één voor ontbreken ervan, dan zijn de ogen bruin, evenals met twee allelen voor pigmentatie. Een dominant allel geven we gewoonlijk aan met een hoofdletter, een recessief allel met een kleine letter. Bij oogkleur zouden we bijvoorbeeld de allelen kunnen aanduiden als O en o. De combinaties OO en Oo geven bruine ogen, oo geeft blauwe ogen. De oogkleur wordt dus door maar één gen bepaald. De meeste kenmerken worden bepaald door een combinatie van genen. Er kan dan na kruising een grote variatie in een kenmerk optreden.

Genen in de verpakking

Genen zijn geen losse dingetjes die in de cel zweven. Ze vormen onderdelen van zeer lange moleculen. In de media wordt hiervoor meestal de Engelse afkorting DNA (Desoxyribo Nucleic Acid) gebruikt. In deze strengen DNA liggen de genen als het ware op een rijtje. Met enkele bijkomende stoffen vormt het DNA de chromosomen. Deze komen in gewone lichaamscellen in paren van bij elkaar horende chromosomen voor. Elk van de individuele chromosomen van een paar draagt de genen in één vorm (allel). Het aantal chromosomen ligt vast binnen een soort. Zo heeft de mens 23 paar. De gepaarde toestand wordt diploïd genoemd. Bij de vorming van geslachtscellen worden de paren uiteengetrokken en elke geslachtscel krijgt een enkele set chromosomen. Deze toestand wordt haploïd genoemd. Bij de bevruchting vormen de enkelvoudige chromosomen van vaders- en moederszijde weer paren van bij elkaar horende chromosomen.