Home

Hoofdgedachten van de evolutietheorie van Darwin

Wat zijn de hoofdgedachten van de evolutietheorie van Darwin?

1. het aantal nakomelingen per soort is groter dan nodig is om de sterfgevallen te vervangen

2. veel individuen sterven voordat ze zich kunnen voortplanten;

3. sommige individuen zijn beter in staat om te overleven dan andere;

4. omgevingsfactoren of concurrentie zorgen ervoor dat de natuur selecteert: minder goed aangepaste individuen zullen zich vaak niet kunnen voortplanten doordat ze vroegtijdig sterven.

Darwin ging er van uit dat in de natuur een mechanisme werkzaam zou zijn waardoor slechts de best aangepaste organismen konden overleven. Dit mechanisme noemde hij 'natuurlijke selectie'.

Door zijn onbekendheid met de erfelijkheid, wist Darwin niet hoe de variatie in overlevingskans werd veroorzaakt. Pas toen onderzoekers aan het begin van de 20e eeuw ontdekten dat eigenschappen van generatie op generatie kunnen worden doorgegeven, begreep men hoe de theorie van Darwin beter kon worden onderbouwd. Zo ontstond het neo('nieuw')-Darwinisme, dat evolutie omschrijft als een langzaam en gelijkmatig voortgaand proces ('gradualisme'), dat plaatsvindt binnen populaties van een soort.

Vanaf de jaren zestig kwamen de uitgangspunten van het neo-Darwinisme onder vuur te liggen. Men bedacht dat selectie niet alleen tussen individuen plaatsvindt, maar ook tussen soorten, populaties en genen (dragers van erfelijke eigenschappen). Selectie zou bovendien niet alleen door natuurlijke processen worden bepaald, maar ook door het toeval.

Tenslotte werd de gedachte van een langzame en gelijkmatige evolutie vervangen door het idee dat het een schoksgewijs proces is (zie 'punctuated equilibrium').

Dankzij de moleculaire genetica ontdekte men de werking van erfelijke processen. Zo bleek onder andere, dat er minder sterk wordt geselecteerd op moleculaire veranderingen in erfelijke eigenschappen (mutaties) dan oorspronkelijk werd gedacht. Toekomstige ontdekkingen zullen waarschijnlijk nog meer verandering van ideeŽn in petto hebben.