Home

Kaap-Verdische reuzenskink

Hans Hermann Schleich wilde pas echt geloven dat de Kaap-Verdische reuzenskink (Macroscincus coctei Duméril & Bibron, 1839) was uitgestorven nadat hij elke steen van het kleine eilandje Branco had omgedraaid. Schleich was in 1979 naar het ongastvrije Kaap-Verdische eiland getrokken om de lagarto, zoals de oorspronkelijke bewoners het dier noemden, te ontdekken. Zijn speurtocht was tevergeefs. Over het algemeen wordt aangenomen dat de soort omstreeks 1940 is uitgestorven.

A. het Hooft
Kaap-Verdische reuzenskink

Eufemismen

Duméril en Bibron hadden Macroscincus coctei in 1839 beschreven. Ze hadden slechts één exemplaar, waarvan ze niet wisten waar het precies vandaan kwam. Ze namen aan dat het dier aan de kust van Afrika gevangen was en schreven dat het dier zich oorspronkelijk bevond in het Kabinet van Natuurlijke Historie in Lissabon. Van daar was het in 1809 'overgebracht' naar Parijs. Met dit eufemisme gaven ze aan dat de Napoleontische troepen het dier gestolen hadden uit het museum in Lissabon. 'Overbrengen' mag een ietwat verkeerd beeld geven van wat er werkelijk gebeurd was, het is nog altijd beter dan de zinsnede die door een andere Franse auteur gebruikt werd. Die beweerde dat de Nederlandse natuurhistorische collecties, die waren gestolen door het Napoleontische bezettingsleger, een 'donatie' waren van het Nederlandse aan het Franse volk.

purcell
Kaap-Verdische reuzenskink

Grote skink

Enige jaren nadat de soort beschreven was, ontdekte men dat het dier alleen op de Kaap-Verdische Eilanden Razo en Branco voorkwam. Macroscincus coctei is één van de grootste skinken ter wereld. Grote skinksoorten komen in de regel alleen op eilanden voor, alhoewel er ook een paar grote soorten bekend zijn uit Australië. De meeste skinken zijn klein en beweeglijk. Bij de kleinere soorten zijn de poten vaak sterk gereduceerd tot afwezig. In tegenstelling tot de meeste skinken was Macroscincus coctei een planteneter. Hij leefde van de zaden van één van de Kaasjeskruidachtigen (Malvaceae) op het eiland en plunderde eieren uit vogelnesten. In gevangenschap at het dier zelden vlees, maar voedde het zich doorgaans met vruchten. De staart was zeer beweeglijk en werd waarschijnlijk gebruikt bij het klimmen in de struiken van de eilanden die vroeger dicht bebost waren.

Gevangenen deden zich te goed

Mogelijk is het dier uitgestorven omdat het door de lokale vissers gegeten werd. In 1833 nam de populatie lagarto's schrikbarend af toen een groep gevangenen naar Branco verbannen werd. Op de andere Kaap-Verdische eilanden heerste dat jaar een hongersnood. De gevangenen kwamen echter niets tekort. Zij deden zich te goed aan vis en aan hagedissen. Toch lijkt dit niet de belangrijkste oorzaak voor het uitsterven van de reuzenskink te zijn. Tijdens langdurige perioden van droogte nam de vegetatie sterk af, en begon de bodem te eroderen. Daarmee werd de habitat van het dier sterk aangetast. De soort is het laatst waargenomen in 1914, toen Duitse verzamelaars enige exemplaren vingen. Volgens de bewoners van het eiland, stierf het dier pas omstreeks 1940 uit.

Museumcollectie

Het exemplaar in het Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis is gestorven in gevangenschap in de Rotterdamse diergaarde Blijdorp in juni 1908.