Home

Eilandspreeuwen

Het Nationaal Natuurhistorisch Museum bezit vier uitgestorven spreeuwensoorten. Drie ervan behoren tot het geslacht Aplonis, de purperspreeuwen. Deze soorten leefden ooit op eilanden in de Grote Oceaan. De vierde soort, de hopspreeuw, komt van het eiland Réunion in de Indische Oceaan. Voor al deze eilandspreeuwen geldt één oorzaak voor het uitsterven: ratten, geïntroduceerd door schepen die de eilanden aandeden. Uiteraard zullen ook andere geïntroduceerde soorten, zoals katten, geiten, mangoesten en de mens zelf in meer of mindere mate een rol gespeeld hebben. Maar, zoals voor zoveel eilandsoorten, waren het vooral de ratten die de spreeuwen fataal werden. Kusaie en Ponapé zijn twee eilanden van de Caroline-eilandengroep in het westen van de Grote Oceaan. Vroeger meende men dat er van de Kusaiespreeuw slechts twee huiden in het museum van het St. Petersburg bewaard waren gebleven, totdat de conservator in Leiden, Gerlof Mees, in 1966 twee huiden van deze spreeuw in de Leidse vogelcollectie ontdekte. Bovendien bleek dat het museum in St. Petersburg niet twee, maar drie huiden bezat.

A. het Hooft
Kusaiespreeuw

Kusaie- en Ponapéspreeuw

De Kusaiespreeuw Aplonis corvina (Kittlitz, 1833) is door Friedrich von Kittlitz ontdekt, toen hij omstreeks 1830 een reis maakte langs Pacifische eilanden. Net als bij de Boninlijster en de Bonindikbek zou von Kittlitz de enige natuurwetenschapper zijn die de vogel ooit in levende lijve zag. In 1880 bezocht Otto Finsch, die later conservator in Leiden zou worden, Kusaie. De spreeuw bleek toen al verdwenen te zijn. Op Ponapé vond hij echter nog wel spreeuwen. De huid van een mannetje van de Ponapéspreeuw Aplonis pelzelni Finsch, 1876, in het Nationaal Natuurhistorisch Museum is waarschijnlijk door hem verzameld. In ieder geval was dit exemplaar afkomstig uit het Hamburgse Godeffroy Museum, de opdrachtgever van Finsch's reis. De Ponapéspreeuw wist veel langer te overleven dan zijn verwant op Kusaie. Voor het laatst is de soort in 1956 gezien.

A. 't Hooft
Ponapéspreeuw

Bruine purperspreeuw

De bruine purperspreeuw Aplonis fusca (Gould, 1836) kende twee ondersoorten: Aplonis fusca hulliana van Lord Howe en Aplonis fusca fusca van het nabijgelegen Norfolk. De ratten die verantwoordelijk waren voor het uitsterven van de spreeuw op Lord Howe bereikten het eiland tijdens de ramp met het SS Makambo in juni 1918. Voor die tijd was de spreeuw een ware plaag voor de lokale fruittelers. Ongeveer tegelijk met de spreeuw van Lord Howe verdween ook die van Norfolk. Er zijn slechts een paar museumexemplaren van de bruine purperspreeuw bekend. Het Nationaal Natuurhistorisch Museum bezit drie huiden die tot de ondersoort van Lord Howe toebehoren. Twee van deze huiden waren door het museum in Sydney geschonken, de herkomst van het derde exemplaar is niet bekend. Bovendien heeft het museum ook een huid van een onvolwassen bruine purperspreeuw gekocht van de handelaar G.A. Frank. Volgens het label komt dit exemplaar van "Norfolk of Lord Howe" wat niet echt helpt om de ondersoort te bepalen.

A. 't Hooft
Norfolk bruine purperspreeuw

A. 't Hooft
Lord Howe bruine purperspreeuw

Hopspreeuw

Net als de spreeuw van Lord Howe, verdween de hopspreeuw of huppe Fregilupus varius (Boddaert, 1783) van Réunion in zeer korte tijd. Dat weten we met name door het relaas van een zekere heer De Cortimoy, die op Réunion opgroeide en de vogel zeer goed kende. In één van zijn brieven vertelt hij hoe hij als kleine jongen tientallen vogels doodde, wat hem schijnbaar vrij gemakkelijk af ging. De spreeuw was namelijk een bodembewoner, die zo tam was, dat je hem met een stok dood kon slaan. De Cortimoy had zelfs een paar huppe's in een kooi, die hij bananen, aardappelen en kool voerde. Toen hij echter na een verblijf van tien jaar in Parijs terugkeerde naar het eiland, bleek de spreeuw verdwenen te zijn. In aanmerking genomen dat de vogel al in de eerste helft van de 19de eeuw uitstierf, is het verrassend dat er toch nog zo'n 25 museumexemplaren bewaard zijn gebleven. Het exemplaar in het Nationaal Natuurhistorisch Museum maakte al deel uit van de collectie van C.J. Temminck en moet dus voor 1820 verzameld zijn.

A. 't Hooft
Hopspreeuw